De avonturen van Claes Schapecaes

De Alkmaarder Nicolaas (Claes) Cornelisz. de Witt, bijgenaamd Schapecaes, had een bijzondere bijnaam én bijzondere ideeën. We zouden hem misschien de zeventiende-eeuwse versie van een durfondernemer kunnen noemen: hij maakte allerlei ambitieuze plannen en had daarover contact met de voornaamste mensen uit Europa, zoals de paus en Hugo de Groot. Zijn papieren, die worden bewaard bij het Regionaal Archief, geven ons een inkijkje in zijn wereld.

Claes Schapecaes werd rond 1577 geboren in Alkmaar. Hij groeide katholiek op in de kersverse Republiek, waar het protestantisme het officiële geloof was. In 1611 vertrok hij, nadat hij de zaken voor zijn drie zoons en (tweede) vrouw goed had geregeld, op bedevaart naar Jeruzalem. Een opvallende én een kostbare reis.

Bewijs van Schapecaes’ bedevaart naar Jeruzalem: getuigschrift uit 1612 door broeder Gaudentius Saybrantyus, waarin wordt bevestigd dat ‘Cornelij Scapenkaes’ uit Alkmaar de heilige plaatsen te Jeruzalem heeft bezocht.

Het leek Schapecaes voor de wind te gaan, maar in 1620 keerde het tij. Hij werd opgepakt door de Alkmaarse schout en er volgde een rechtszaak. Er was zelfs sprake van dat zijn zaak voor het Hof van Holland zou voorkomen, waar de zwaarste zaken werden behandeld. Wat er precies is gebeurd, weten we helaas niet, omdat rechterlijke archieven van 1620 ontbreken. Volgens de rechtsgeleerde Hugo de Groot, die in zijn briefwisselingen meermaals over Schapecaes schreef, was hij verbannen omdat hij zou hebben geheuld met de Spanjaarden, de (katholieke) vijand van de Republiek. Schapecaes zelf zei hierover ‘dat hij ende andere catholycken in 't landt vijanden zijn van Spaignie’, net als alle andere ‘Nederlanders'.

Handtekening van ‘Claes Cornelisz Schapecaes’ onder de notariële akte waarin hij vastlegde dat zijn vrouw gevolmachtigd was om zijn (financiële) zaken af te handelen terwijl hij op ‘Jeruzalemreis’ was.

Een woelend mensch

Wat de reden ook was, Schapecaes keerde nooit terug naar zijn vaderland. Eerst vestigde hij zich in Frankrijk, waar hij de eveneens uit de Republiek verbannen Hugo de Groot meermaals bezocht. Hij had ook contact met de machtige kardinaal De Richelieu en maakte verregaande plannen om een ‘negotie op Oost- ende West-Indiën en andere plaatsen’ op te richten, naar het model van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hiervoor wilde hij De Groot inschakelen, die veel kennis had van maritiem recht.

Hoewel de handelscompagnie in 1626 officieel werd opgericht, kwam die nooit echt van de grond. De Groot had dat zien aankomen: hij probeerde afstand te bewaren van Schapecaes en zijn plannen. Nadat Schapecaes hem probeerde ‘te trecken in dese besoigne’, schreef hij aan zijn zwager: ‘[Schapecaes] Is een woelend mensch. Ick laet hem praeten ende antwoorde hem weynigh.’ De Compagnie had volgens hem alleen kunnen slagen als er betere bestuurders waren gevonden.

Naast zijn kennis van handelscompagnieën bracht Schapecaes kennis mee uit de Republiek over het aanleggen van dijken, droogmakerijen en waterwerken. Hij zou De Richelieu hebben geadviseerd om bij het beleg van La Rochelle, een opstandige kuststad, een zeedijk op te werpen om vanaf daar de stad te kunnen beschieten. Hoewel zijn advies toen niet werd gevolgd, is de stad later wel op die manier ingenomen. Barbarije Schapecaes’ projecten waren vaak op goede ideeën gestoeld, maar er kwam uiteindelijk weinig van terecht. Dat kwam misschien omdat zijn aandacht te erg was verdeeld. De Groot schreef in 1627 aan zijn zwager: ‘Schapecaes woelt zeer. Het schijnt, dat hij gaet naer Barbarije, laetende middelertijdt het bevorderen van de compaignie aen zijne medegenooten.’ Wat Schapecaes zou gaan doen in ‘Barbarije’, een benaming voor delen van Noord-Afrika, is niet helemaal duidelijk. Hij zou via diplomaten een voorstel hebben gedaan aan de Deense koning om met enkele schepen plundertochten te ondernemen en de Ottomaanse en ‘Barbaarse’ vloot schade te berokkenen, ten voordele van de christelijke wereld.

Portret van rechtsgeleerde Hugo de Groot, die net als Schapecaes uit de Republiek verbannen werd en door de zonderlinge Alkmaarder werd ‘geronseld’ voor diens nieuwe handelscompagnie. Rijksmuseum Amsterdam.

Het lijkt erop dat Schapecaes hiervoor was geïnspireerd door een andere woelende geest: ‘Sultan Jachia’, of graaf Alexander van Montenegro. Deze ‘sultan’ beweerde dat hij de rechtmatige opvolger was van de overleden Ottomaanse Sultan Murad III. Hij zou als kind uit zijn thuisland gesmokkeld zijn en later orthodox-christelijk zijn gedoopt. Hij trok vanaf 1603 Europa door en bezocht onder andere de Republiek om steun te krijgen voor zijn claim op de Ottomaanse troon. Her en der kreeg hij die steun, en hij voerde zelfs een aanval uit op Constantinopel, maar de troon won hij nooit. Schapecaes wist hiervan: tussen de papieren van Schapecaes zit een ‘toespraak van de Ottomaanse sultan Jachia over de onderneming tegen de Turken’.

De plannen voor Barbarije waren misschien te vergezocht. Maar Schapecaes maakte ook plannen die meer kans van slagen leken te hebben. Bijvoorbeeld zijn voorstel voor de Pontijnse moerassen, die ten zuiden van Rome lagen. Er zouden ‘kwade dampen’ uit opstijgen die veel ziekten zouden veroorzaken (inmiddels weten we dat malariamuggen de boosdoeners waren). Er waren vaker plannen geweest om de moerassen droog te maken. Nu deed Schapecaes een duit in het zakje. Schapecaes’ plannen waren vergevorderd. Paus Urbanus VIII had hem er zelfs voor naar Rome laten komen en in 1637 werd er een contract tussen Schapecaes en het Vaticaan opgesteld. Schapecaes kreeg het monopolie om met een compagnie van katholieke, deskundige bedijkers de moerassen droog te leggen. Daarnaast zou hij de scheepvaart verbeteren met behulp van kennis uit de Republiek, nieuwe visserijmethoden invoeren en de zoutindustrie bevorderen. Net als bij de Franse handelscompagnie had Schapecaes de papieren binnen om zijn project op te starten, maar ook dit kwam nooit van de grond. Het lukte hem niet om genoeg kapitaal bijeen te krijgen. Uiteindelijk werden de moerassen pas onder Mussolini drooggelegd.

Kolonie op Corsica

Een laatste plan uit Schapecaes’ koker was om op het eiland Corsica, toen deel van de Republiek Genua, een kolonie van katholieke Nederlanders te stichten. Er waren op dat eiland veel onontgonnen, woeste gronden en hij wilde twee vliegen in één klap slaan: een plek bieden aan katholieken uit de protestantse Republiek én de toestand op het eiland verbeteren. Schapecaes werd op Corsica ‘met alle vrienschap ontfangen’ door de gouverneur. Er werd ook hier weer een contract opgesteld: Schapecaes zou een tiende deel van de winst van de kolonie opstrijken, de rest ging naar Genua.

‘Eenige naerder verclaeringe an Corsyca’. Een staaltje zeventiende-eeuwse pr: document waarin Schapecaes Corsica en zijn plannen voor dat eiland aanprijst.

Dit keer stak Magere Hein een stokje voor Schapecaes’ plannen: toen hij vanuit Corsica met zijn zoon Pieter terug naar Rome reisde om zijn Corsicaplan in werking te zetten, overleed hij, op 10 oktober 1639. Wat Schapecaes wilde bereiken met al zijn plannen? De Groot had een vermoeden: ‘[hij] slaet breed voor, wil alles doen voor de generale vrijheyt van Nederland ende van religie, soo voor d’eenen als voor d’anderen.’ Maar ondanks zijn idealen en visie, ontbrak het Schapecaes aan middelen en mensen om zijn plannen door te zetten. Nu is het vooral een stapeltje bijzondere documenten in het Regionaal Archief dat nog getuigt van de, helaas telkens tot mislukken gedoemde, avonturen van Claes Schapecaes.

Corsica in 1692, door Vicenzo Maria Coronelli. Schapecaes had plannen om de onontgonnen gebieden van het eiland te bewerken en er een ‘kolonie voor katholieken’ te stichten.

De documenten uit Schapecaes’ nalatenschap, waaronder het bewijs van zijn Jeruzalemreis en de stukken over Sultan Jachia en de Corsicareis, zijn hier online te bekijken
De transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief heeft de stukken over de Corsicareis uitgewerkt, de uitgetypte versie van het document is hier te lezen (pdf download, 220 kB)

Door Lisette Blokker
Regionaal Archief Alkmaar

test