Jan Adriaensz. Leeghwater is misschien wel de bekendste waterbouwkundige van ons land. Hij kwam precies 450 jaar geleden, in 1575, ter wereld in De Rijp en dat wordt momenteel in het ‘Land van Leeghwater’ tussen Alkmaar en Purmerend uitgebreid herdacht. Leeghwaters loopbaan kreeg in 1605 echt vleugels met een duiktruc. Hoe zit dat precies?
Het verhaal van de ‘onder-water-duykingh’ begint eind april 1605 met de Alkmaarse wijnkoper Dirck Thomasz., die goed bevriend was met prins Maurits. Hij vertelde de prins dat in De Rijp drie jongemannen waren die lang onder water konden blijven. Het ging naast Leeghwater om Pieter Pietersz. en Willem Pietersz. Prins Maurits vond het verhaal van wijnkoper Dirck Thomasz. heel interessant en nodigde het drietal uit naar Den Haag te komen. Daar boden Jan, Pieter en Willem aan een demonstratie te geven in de Hofvijver. Prins Maurits zag dat echter niet zitten omdat op die plek zeker duizend mensen op het schouwspel af zouden komen. Daarom werd uitgeweken naar een sloot buiten Den Haag. Maurits, zijn broer Frederik Hendrik en enkele andere edellieden arriveerden ’s middags per koets.

450 jaar Leegwater. Bekijk hier de activiteiten rondom het jubeljaar.
Toen iedereen klaar stond, sprong Leeghwater in het water, zei ‘adieu mijn vrome heeren’ en dook onder. Hij bleef een hele tijd weg en toen hij eindelijk weer boven kwam, vroeg Maurits naar het geluid dat hij gehoord had. Leeghwater antwoordde ‘ick heb luyde geroepen’, waarop de prins reageerde ‘ick meende dattet het brullen van een koe was’. Pieter Pietersz. deed er nog een schepje bovenop. Hij bleef even lang als Leeghwater onder, maar stak zijn kronkelende vingers boven water uit. Graaf Willem van Nassau vreesde toen het ergste, maar ook Pieter kwam fris weer boven.
Prins Maurits was zeer tevreden over de hele stunt en trakteerde het drietal op een royale maaltijd met alles erop en eraan in een herberg. De volgende dag werden ze weer door hem ontvangen en kregen ze een mooi geldbedrag. Bovendien verleenden de Staten-Generaal op 5 mei 1605 aan Jan, Pieter en Willem een octrooi op hun ‘onderwaterconste’. Hoe het precies werkte, legde dat octrooi niet uit. Dan was het geheim immers weg. Maar wel had Leeghwater enkele leden van de Staten-Generaal vertrouwelijk ingelicht. Het octrooi had een looptijd van tien jaar en stelde op nadoenerij een boete van tweehonderd gulden.
Kermisstunt in Amsterdam
In september 1606 herhaalden Leeghwater en Pieter Pietersz. hun stunt tijdens de Amsterdamse kermis. Op uitnodiging van de Rijper koopman Meynert Cornelisz. Salm verzorgden zij toen een demonstratie voor een gezelschap van tien à twaalf voorname Amsterdammers en andere Rijpers. Locatie was de Wetering buiten de Heiligewegspoort. Het nieuwtje deed echter razendsnel de ronde en er kwamen wel zeven- à achthonderd personen op af. Pieter Pietersz. bleef deze keer op de wal, maar Leeghwater maakte er een geweldige show van. Hij hulde zich in een linnen gewaad en stak twaalf peren in zijn zakken. Hij kondigde aan die half op te zullen eten. Ook nam hij een schalmei mee, een blaasinstrument met een hard en doordringend geluid. Daar ging hij onder water psalmen op spelen. Ten slotte gaf een makelaar hem een vel papier met zijn naam erop. Leeghwater beloofde daar op de bodem van de Wetering met pen en inkt iets op te schrijven. Vervolgens ging hij het water in, nam afscheid van de menigte en dook onder.
De schalmei was op de wal goed te horen en Leeghwater bleef maar liefst drie kwartier weg. Ondertussen ging al het gerucht dat hij was verdronken. Maar daar klopte gelukkig niets van. Leeghwater kwam weer boven, liet op de wal de half opgegeten peren zien en het vel papier waarop hij had gepend ‘dit heb ick voor Amsterdam in de Weteringh onder water geschreven’. Samen met Pieter ging hij natuurlijk met de pet rond en na afloop was vooral Leeghwaters naam op ieders lippen.
Het geheim
Een van de door Meyndert Salm uitgenodigde voorname heren was de schatrijke koopman Dirck van Os, een van de oprichters van de befaamde Verenigde Oost-Indische Compagnie. Van Os nam in 1607 het initiatief voor de droogmaking van de Beemster. Hij bracht een gezelschap van gefortuneerde investeerders bij elkaar dat in mei 1607 een concessie voor dit werk verkreeg van de Staten-Generaal. Leeghwater was er als de kippen bij, had natuurlijk het voordeel dat Van Os hem kende van de Amsterdamse kermis en werd aangesteld als opzichter over de molenbouw. In totaal was Leeghwater 278 dagen in de Beemster aan de slag. Hij deed het goed, getuige het feit dat hij achteraf een gratificatie kreeg van 180 gulden. Leeghwater bouwde hierna zijn reputatie als polderdeskundige verder uit en noemde zichzelf na enkele andere projecten niet zonder trots ‘ingenijeur ende molenmaker vande Ryp’. Uiteindelijk kreeg hij een mooi plaatsje in onze vaderlandse geschiedenis.
En hoe zit het nu met het geheim van die ‘onderwaterconste’? Daar werd destijds al druk over gespeculeerd en zeker weten doen we het nog steeds niet, maar hoogstwaarschijnlijk ging het om een primitieve duikerklok bestaande uit een grote verzwaarde ton. Die zonken Jan, Pieter en Willem omgekeerd af zodat binnenin een grote luchtbel werd gevangen. Zij sprongen in het water, doken in de omgekeerde ton en konden dan in de luchtbel ‘onder water een wijl tijdts leven’, aldus dat octrooi van mei 1605.
Door Diederik Aten
Waterschaphistoricus Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier