Commissie van Toezicht over het Stedelijk Muziekkorps en Muziekschool

Muziekkorpsen, met hun blazers op trombone, hoorn, tuba, klarinet, hobo of fagot onder begeleiding van vele trommelaars, luisteren tot de dag van vandaag menig stadsfeest op. In Alkmaar werd ruim honderdvijftig jaar geleden een door de gemeente volledig gesubsidieerd muziekkorps opgericht dat tot 1931 zou blijven bestaan.

Voorjaar 1866 was de Alkmaarse gemeenteraad van mening dat het muziekkorps van de plaatselijke schutterij aan vervanging toe was. Wilden Alkmaarders gratis van echt goede muziek kunnen genieten, zo zei men, dan zouden uitvoeringen ‘geëvenredigd naar den geest des tijds’ moeten zijn, waarvoor ‘eene geldelijke opoffering nodig was’. En zo geschiedde. Het toezicht op dit gesubsidieerde korps (met muziekschool) kwam met ingang van 1867 in handen van een commissie, de dagelijkse leiding in die van een aan te stellen directeur. Het archiefje van deze Commissie van Toezicht over het Stedelijk Muziekkorps en Muziekschool, bewaard gebleven in het Regionaal Archief, weerspiegelt de ups en downs van dit gezelschap van 1867 tot opheffing in 1931.

In de Hout

In 1867 werd Andreas Otto (1806-1874) benoemd tot eerste directeur van gesubsidieerd korps en school. Otto was tevens organist van de Grote Kerk en kundig dirigent en bespeelde viool, cello, contrabas, klarinet, trompet, trombone en piano. De commissie ontving bij aanvang 2500 gulden per jaar waarvan onder andere Otto, korpsleden en instrumenten betaald konden worden. Bij reglement was het korps verplicht tot het geven van minimaal twintig uitvoeringen per jaar in de Hout, van april tot oktober, iedere zondag. Ook op 8 oktober en (na 1884) op de Landbouwdagen in september diende het op te treden. Voor meer dan 25 concerten per jaar (waarmee dirigent en korps een zakcentje konden bijverdienen) was speciaal toestemming van de commissie nodig. Aanwezigheid bij repetities was verplicht, het hele jaar door, tweemaal per week bij Otto thuis. Ieder korpslid had één zondag per zomer vrij. Boetes waren er bij verzuim maar ook voor ‘onwillige of weerspannige’ leden. Zelfs Otto ontkwam niet aan het toezicht: hij was verplicht tot het bijhouden van korps- en leerlingenadministraties en diende per jaar minimaal vijf composities van eigen hand te overleggen.

In 1924 vierde Jan Meindert Otto dat hij vijftig jaar dirigent was. Ter gelegenheid van dat jubileum poseert hij hier (zittend, derde van links) in de Muziektuin met het Alkmaars strijkorkest Paganini, waar hij directeur was. Collectie Regionaal Archief Alkmaar (FO1005094).

Andreas Otto zou school en korps tien jaar adequaat leiden. Hij overleed in 1874, waarna zijn talentvolle zoon Jan Meindert Otto (1847-1931) hem opvolgde. In 1877 telde diens muziekschooltje 44 leerlingen van wie er 21 in het korps speelden. Twee ochtenden per week doceerde de bevlogen Otto viool, dwarsfluit, piccolo, hobo, klarinet, cornet, tenorhoorn, trombone of kleine trom. Het muziekkorps repeteerde tweemaal per week in de avond. De instrumenten werden twee keer per jaar officieel geïnspecteerd. Zo moest een muzikant zijn trompet (voor eigen rekening) laten repareren maar toch ‘vooral schoonmaken’.

De Muzieknis in de Stedelijke Muziektuin rond 1926, gezien vanaf de Buitensociëteit in het Muziekpark in de Hout. Collectie Regionaal Archief Alkmaar (RAA012002427).

Vloeken en uitschelden

Jan Meindert Otto was een eigenzinnige kunstenaar, dol op muziek, en voelde niets voor de bijkomende administratieve rompslomp. Dit veroorzaakte op den duur fricties tussen hem en de commissie. Zo verwelkomde de dirigent vrijelijk nieuwe korpsleden daar waar een proeve van bekwaamheid voor de commissie verplicht was en verzuimde hij schriftelijk te rapporteren. Ook omgangsvormen waren een punt en op enig moment zag de commissie zich genoodzaakt Otto te verzoeken het ‘vloeken en uitschelden’ van leden van het muziekkorps zoveel mogelijk te vermijden.
Korpsleden wier prestaties sterk achterbleven werden door de commissie gestimuleerd tot vertrek. Zo werd een muzikant twintig gulden gekort op zijn jaarsalaris teneinde ‘hem op die manier te doen gevoelen dat het beter zal zijn het muziekkorps te verlaten’. Met de veelzeggende toevoeging ‘het ensemble zal er niets door missen’. Maar het korps deed met regelmaat mee aan concoursen en wist de nodige prijzen binnen te slepen. En in het zomerseizoen was er iedere zondag een opgetreden in de Hout, vanaf 1898 bij de nieuwe uitspanning, de Buitensociëteit.

Gezicht op de Buitensociëteit vanaf de Muzieknis tijdens de opening van de Muziektuin op 6 mei 1923. Collectie Regionaal Archief Alkmaar (FO1002737).

In juni 1905 kwam de relatie tussen Otto en commissie onder druk te staan: ondanks aanmaningen waren door hem dat jaar weer geen leerlingenoverzichten op tijd ingeleverd, noch composities ter beoordeling ingestuurd. Toen bij een bezoek aan de muziekschool de commissie in augustus ook constateerde dat deze ‘hoogst treurig, vuil en rommelig’ was, werd een brief aan B&W gezonden waarin de commissie Otto beschuldigde van ‘onachtzaamheid, slordigheid of onwil en onbekwaamheid’ en hem verweet ‘noch op juistheid van uitvoering der verschillende partijen noch op nuancering’ te letten. In de muziekschool lagen bovendien ‘muziekpartijen verspreid op vloer, kasten of zelfs op de trappen’. Twee weken later werd Otto bij B&W ontboden en ontving hij een waarschuwing: als hij geen orde op zaken stelde, zou ontslag volgen. Maar in december schreef de commissie verzoenend aan B&W: ‘IJver mag de heer Otto nu niet ontzegd worden’ waarbij ‘niet vergeten mag worden dat zijn leerlingen meest uit de lagere klasse der maatschappij voorkomen en veelal niet of slechts weinig ontwikkeld zijn’. Het kwam echter nooit meer goed, Otto bleef telkenmale in gebreke. September 1908 volgde dan ook eervol ontslag en stond hij voor het laatst op de bok in de Hout. De commissie noteerde: ‘getroffen door de blijken van waardering (het kunstenaarspad is niet bezaaid met rozen!) bedankte de heer Otto een ieder voor de aangeboden bloemenhulde. ‘

De opening van de Muziektuin op 6 mei 1923. Collectie Regionaal Archief Alkmaar (FO1011013).

Voortand verloren

Otto’s opvolger was Henricus Albertus Maas (1879-1946), een strikte 29-jarige kapelmeester uit Deventer. Inmiddels waren muziekschool en korps in de Doelen ondergebracht. Waar Otto vooral zijn eigen gang was gegaan, klaagde Maas bij de commissie over van alles. Vooral over het niveau van het korps. Een verzoek van een korpslid om extra vrij te krijgen voor werk, noodzakelijk om zijn gezin te onderhouden, kwam Maas goed uit. Die schreef de commissie: ‘Zou deze gelegenheid misschien niet ten baat genomen kunnen worden om elk van de lelijke geluiden uit ’t korps te doen verdwijnen?’ Of een andere keer, na Maas’ conclusie dat enkele muzikanten niet ‘toonzuiver’ waren: ‘kan de muzikale toestand verbeterd worden door aan onderstaande leden hun eervol ontslag te geven?’ Een trompettist die een voortand verloor was men ook liever kwijt dan rijk. De man was ‘niet om aan te horen’.

(links) Overzicht van muziekuitvoeringen in de Stedelijke Muziektuin in de zomer van 1931. (rechts) Briefje van een korpslid over het missen van een (voor)tand, ca. 1914.

In 1923 werd in de Alkmaarse Hout een Muziektuin geopend met een prachtig gerenoveerde Buitensociëteit, een ‘Muzieknis’ en tweeduizend zitplaatsen (toegang gratis, consumptie verplicht). Toch gingen al in 1924 binnen B&W geluiden op tot opheffing van de uit gemeentegelden betaalde korps en school. Immers, zo was de redenering, de huidige korpsleden waren oud, de raad betwijfelde of ‘de geest’ van het korps nog wel goed was en in Alkmaar waren inmiddels meerdere ongesubsidieerde, prima korpsen opgestaan. Om opheffing af te wenden gingen directeur en korpsleden voor het begrotingsjaar 1927 akkoord met de halvering van hun salaris en het niet meer aanschaffen van nieuwe instrumenten. Helaas was dat niet bevorderlijk voor het moreel en niveau van het korps. Zo klaagde Maas in 1930 bij de commissie dat zijn korps zonder genoegen speelde, weinig studeerde, repetities slecht bezocht en oude leden ontslag zouden moeten krijgen omdat hun prestaties in geen verhouding stonden tot het hoge salaris dat ze inmiddels genoten.

Uiteindelijk besloot de Alkmaarse gemeenteraad op 10 februari 1931 tot stopzetting van de subsidie aan muziekschool en muziekkorps. Maas kreeg per 1 april eervol ontslag. En zomer 1931 waren het voor het eerst vijf ongesubsidieerde Alkmaarse muziekkorpsen die bij toerbeurt het traditionele zondagse concert in de Muzieknis van de Stedelijke Muziektuin verzorgden: St. Caecilia, Excelsior, St. Louis, Soli Deo Gloria maar ook: Alcmaria Victrix, of, zoals in het zomerprogramma te lezen staat, ‘voorheen Stedelijk Muziekkorps’.

Door Annemarie Ettekoven
Regionaal Archief Alkmaar

(links) Een deel van de ledenlijst van het Stedelijk Muziekkorps uit 1922. (rechts) Programma van de matinee ter ere van het vijftigjarig bestaan van het Stedelijk Muziekkorps op 22 april 1917 in de Hout.

test