Dit jaar is het precies 125 jaar geleden dat de eerste Alkmaarse gemeentearchivaris werd benoemd. Op 15 februari 1900 werd Cornelis Willem Bruinvis (1829-1922) op zeventigjarige leeftijd aangesteld als archivaris van de stad. Ondanks zijn hoge leeftijd voerde hij zijn functie met veel passie uit. Met zijn liefde voor de geschiedenis van Alkmaar en omgeving legde hij de basis voor wat later het Regionaal Archief Alkmaar zou worden.
Cornelis Bruinvis was een man met vele talenten. Hij was opgeleid als bouwkundig tekenaar, maar behaalde ook zijn apothekersdiploma om zijn vader in diens apotheek te helpen. Daarnaast werkte hij als redacteur voor de Alkmaarsche Courant en doceerde farmacie aan de Geneeskundige School. In zijn vrije tijd hield hij zich vooral bezig met de geschiedenis van Alkmaar en omgeving. Hij was de drijvende kracht achter de oprichting van het Stedelijk Museum in 1875. Ook ijverde hij voor het behoud van het Alkmaarse culturele erfgoed en publiceerde hij ruim driehonderd artikelen in wetenschappelijke en historische tijdschriften. Voor de functie van archivaris was Bruinvis de ideale kandidaat.
Rond 1900 hadden veel steden in Nederland een eigen archivaris en een officieel archief. In Alkmaar lagen de meeste historische documenten echter nog onbeheerd onder slechte omstandigheden in het stadhuis. Er was voor de kersverse archivaris dus genoeg te doen. De gemeente had weinig budget beschikbaar, dus Bruinvis besloot ‘zonder bezwaar der gemeentekas’ zijn taken uit te voeren, onbezoldigd dus. Als gemeentearchivaris was Bruinvis tevens directeur van het Stedelijk Museum, een combinatie van taken die tot 1968 zou bestaan. Naast hem werd een adjunct-archivaris aangesteld om hem te ondersteunen. Omdat Bruinvis het loon voor de adjunct te laag vond, verdubbelde hij het uit eigen zak.
De eerste taak van de archivaris was het scheppen van orde in de chaos. Het archiefmateriaal lag verspreid over verschillende ruimten in het stadhuis. Hoewel de Amsterdamse stadsarchivaris P. Scheltema in 1869 een inventaris had opgemaakt van het Alkmaarse stadsarchief, waren er nog veel onvolledige archiefbeschrijvingen om te voltooien. In 1903 presenteerde Bruinvis samen met adjunct-archivaris H.E. van Gelder een verbeterde 185 pagina’s tellende inventaris. Hij wist zijn weg moeiteloos te vinden in de collectie.
Ruimtegebrek
Bruinvis bleef tot op hoge leeftijd in functie als archivaris. In 1917, op 88-jarige leeftijd, moest hij vanwege gezondheidsproblemen ontslag nemen. Zijn opvolgster was ‘mejuffrouw’ C.E.C. Bruining, die al sinds 1910 als adjunct-archivaris onder Bruinvis werkte. Alkmaar benoemde hiermee een van de eerste vrouwelijke archivarissen van Nederland. Door een zwakke gezondheid, kon zij soms weken achtereen haar werk niet goed uitvoeren. Bruinvis, die zijn werk maar moeilijk los kon laten, bemoeide zich veel met zijn opvolgster. Zo heeft hij het jaarverslag over 1917 – na zijn ontslag – nog geheel zelf geschreven.
In 1926 werd het gemeentelijk archief overgeplaatst van de oostvleugel van het stadhuis naar het naastgelegen Moriaanshoofd. De omstandigheden waren nog steeds niet optimaal en er ontstond al snel gebrek aan ruimte. Archivaris P.H. Wortel had echter andere zaken aan zijn hoofd: tijdens de Duitse bezetting werden delen van het archief ondergebracht in onder andere kluizen van ’t Hooge Huys, in kasteel Cannenburch en in een schuilkelder in de duinen van Heemskerk. Na de oorlog werden deze archieven weer teruggebracht naar het Moriaanshoofd.
Vanaf 1966 kreeg het archief een meer passende huisvesting in Huize Oort aan de Oudegracht, waarnaast een studiezaal en depot werden gebouwd. Twee jaar later werd archivaris W.A. Fasel aangesteld. Hij was de eerste archivaris die zich volledig aan het archief kon wijden, nadat de archivaris niet langer als museumdirecteur werd aangesteld.
Regionaal
Als gevolg van de gemeentelijke herindeling in 1972 kwamen ook de archieven van de voormalige gemeenten Koedijk en Oudorp in het gemeentearchief van Alkmaar terecht. Fasel en zijn latere opvolger G. Valk zagen mogelijkheden voor meer regionale samenwerkingen. In de jaren tachtig ontwikkelde een samenwerkingsverband van zes gemeenten vervolgens plannen voor een Regionaal Archief.
Dit Regionaal Archief Alkmaar werd in 1992 gevestigd in een nieuw kantoorgebouw aan de Hertog Aalbrechtweg, dat dankzij de locatie bij station Alkmaar-Noord goed bereikbaar was. Het gebouw bood ruim 7,5 kilometer depotruimte, een ruime studiezaal en moderne kantoren. In 2000 waren er al negentien gemeenten en vier waterschappen aangesloten bij het Regionaal Archief. De laatste stap in de verzelfstandiging was het omvormen van het archief naar een gemeenschappelijke regeling, met een bestuur samengesteld uit burgemeesters en wethouders uit deelnemende gemeenten. Met de aansluiting van Den Helder (2007) en Texel (2016) is de regionalisering afgerond.
Ambachtsschool
Met deze verdere groei bleek het depot aan de Hertog Aalbrechtweg ook te klein. Besloten werd het Regionaal Archief onder te brengen op de huidige locatie, de oude Ambachtsschool aan de Bergerweg. In 2011 verhuisden de kantoren en de studiezaal. Het nieuwe depot, dat achter het schoolgebouw werd gebouwd, werd in 2013 in gebruik genomen. Dit depot beschikt over ruim achttien kilometer aan planklengte en voldoet aan alle klimatologische vereisten. Het gebouw wordt gedeeld met onder andere de archeologische dienst van de gemeente Alkmaar en de Kunstuitleen.
Het Regionaal Archief heeft zich de afgelopen 125 jaar ontwikkeld van een slecht beheerde verzameling documenten in een vochtige opslag tot een modern archief voor de regio dat zich richt op digitalisering, educatie en samenwerking om de verzamelde documenten en informatie zo breed mogelijk beschikbaar te stellen.
Door Loes Ekhart
Regionaal Archief Alkmaar