De Alkmaarse notaris A.P. de Lange had in 1809 zijn zinnen gezet op de dochter van een collega op Texel. Hij schreef haar honderden brieven, die nu bewaard worden in het Regionaal Archief. Vaak vurige liefdesbrieven, die een buitengewoon inkijkje geven in het verloop van een romance in die tijd.
‘Beste vriendin, Lieve Naatje!’ begint notaris Adrianus Petrus de Lange – kortweg Janus – de brief die hij op 12 juli 1809 vanuit zijn statige huis aan de Alkmaarse Langestraat schreef aan Anna Wentel, de dochter van een collega in Oudeschild. Het was een eerste brief in een reeks van honderden, samen bijna vijfhonderd pagina’s. Anna, die hij dus Naatje en later Nanette noemde, was toen 24 jaar. Janus was bijna tien jaar ouder en was al getrouwd geweest: zijn eerste vrouw was nog geen twee maanden daarvoor overleden. Met haar had hij drie kinderen gekregen, van wie alleen de oudste, de driejarige Griet, nog in leven was.
Janus had Naatje een dag eerder in Den Helder een huwelijksaanzoek gedaan, en in de brief herhaalt hij zijn liefdesverklaring: ‘Ik verklaar U dus, dat ik U met een oprecht hart beminne, dat mijnen vurige wenschen niets zijn, dan U tot mijne vrouw en tot Moeder over mijn lief kind te hebben.’ De volgende dag schreef hij haar alweer. Hij wachtte in spanning op haar antwoord, en als hij niet snel iets van haar hoorde, zou hij naar Texel komen om haar te zien. Al zag hij wel op tegen de moeizame overtocht. Als hij aan het begin van de middag met zijn rijtuig uit Alkmaar vertrok kon hij weliswaar rond vijf uur bij het Nieuwediep zijn, maar het was maar zeer de vraag of hij daar dan een schuit zou kunnen vinden voor de oversteek naar Texel.
In het dikke pak brieven van Janus zitten ook een paar antwoorden van Naatje. Aan de slordige manier van schrijven en de doorhalingen te zien gaat het om kladversies. Waarschijnlijk heeft Naatje de vele brieven van Janus zelf bewaard, met daarbij de kladjes van enkele van haar eigen brieven. Uit die paar velletjes spreekt duidelijk haar vrolijke en vrije persoonlijkheid.
Brave moeder
Haar eerste brief aan Janus schreef Naatje op 16 juli 1809. ‘Van dag tot dag heb ik uitgesteld aan U te schrijven’, begint ze. Ze was geschrokken van zijn plotselinge aanzoek en kon zich niet voorstellen dat hij werkelijk van haar hield: ‘Den man die zoo kort geleden eene geliefde gade verloor, kan naar mijn gedachte niet zoo spoedig liefde voor een ander meisje gevoelen als gij betuigd voor mij te hebben.’ Maar blijkbaar had hij wel genoeg respect voor haar om de opvoeding van zijn dochtertje aan haar te willen toevertrouwen. En zij respecteerde hem ook, schrijft ze, maar dat was niet genoeg. ‘Den man die ik niet hartelijk lief heb kan ik niet gelukkig maken. Even zoo min als ik het met hem zijn kan.’ En voor hem voelde ze die liefde niet.
Janus gaf nog niet op. Hij schreef haar een paar dagen later weer, en de week daarna opnieuw. Haar stilzwijgen stelde zijn geduld op de proef, maar tegelijkertijd waardeerde hij het dat ze goed nadacht over wat toch de belangrijkste stap uit haar leven was. Naatje antwoordde niet. Na bijna een maand smeekt Janus: ‘Ik bidde U lieve vriendin! Verhoor mijne wenschen! Staa mij toe U te mogen beminne en te bezitten! Wordt mijne vrouw, geeft mijn lief kind eene brave moeder weder en geloof dat ik U zal wete te waarderen!’
Al te vrolijk
Op 22 augustus kwam er ten slotte een brief van Naatje: ‘Eindelijk zal het toch eens tijd worden dat ik het stilzwijgen verbreke en uw brieven ga beantwoorden.’ Ze kenden elkaar nauwelijks, schrijft ze, en ze had daarom veel twijfels. ‘Kunnen wij nu beiden wel beslissen, of wij op den duur gelukkig met elkander zouden zijn?’ Zijn overleden vrouw was stil en bedaard geweest, en hijzelf was niet alleen een stuk ouder, maar ook ‘eerder van een zwaarmoedig dan van een vrolijk gestel’. Terwijl zij, Naatje, juist altijd heel opgewekt was; ze had nog ‘al de gekheden der jeugd’. Zou hij niet al gauw denken: ‘Naa is toch al te vrolijk’? Dan zou zij zich gedwongen voelen een ‘bedaarde plooi’ aan te nemen, en dat zou niet goed voor haar zijn. Ze wilde dus dat ze de tijd namen om elkaar beter te leren kennen. ‘Want om door redeneerskracht liefde daar te stellen gaat bij mij volstrekt niet.’ Janus antwoordde direct dat hij door zijn dagelijkse beslommeringen inderdaad vaak ernstig gestemd was, maar dat Naatjes vrolijkheid daarom juist erg welkom was en hem zou opbeuren. Wel was hij het ermee eens dat ze elkaar beter moesten leren kennen.
Begin september bracht Janus daarom drie dagen door op Texel. Leuke dagen, zo blijkt uit zijn volgende brief, al had hij wel het gevoel dat hij weinig wist bij te dragen aan de vrolijke sfeer. En de terugreis verliep moeizaam. Hij was ’s morgens om zes uur afgevaren van Oudeschild, maar pas om half elf in Den Helder, en pas ’s avonds terug in Alkmaar – waar zijn ‘lieve kleine Griet’ hem op de stoep huppelend tegemoet kwam en ‘met hare poezelige armpjes om den hals’ vloog. In haar antwoord plaagde Naatje hem met zijn bescheidenheid. Hoe moest dat nou toch, schrijft ze, zij die zo van vrolijkheid en scherts hield terwijl hij er niets aan kon bijdragen? ‘‘t Is waarlijk erg.’ Maar dan was hij wel ‘een grote veinsaart’ geweest toen hij bij haar was, want toen wist hij voortdurend iedereen aan het lachen te maken. Ze verdacht hem ervan dat hij zichzelf bewust als minder voordeed dan hij was om haar later te verrassen: ‘Ja ja, de heren zijn slim, maar ik door zie dit u oogmerk’.
Bruidje
Van Naatje zijn verder geen brieven aan Janus bewaard gebleven. Maar uit zijn brieven blijkt dat de twee rond de feestdagen een week samen doorbrachten op Texel. Daarna was het toch beklonken. Op 11 maart gingen ze in ondertrouw. ‘Waardste bruidje’ noemt Janus haar in een volgende brief. Janus en Naatje trouwden op 1 april 1810 op Texel. De kleine Griet was ‘zoo blij als een koe’ met haar nieuwe moeder. Ze kreeg daarna ook nog een hele rits broertjes en zusjes. En Janus bleef brieven aan Naatje schrijven op de momenten waarop ze niet bij elkaar waren. Zijn laatste brief aan haar dateert van 29 juni 1846. Ze bleven samen tot zijn dood in 1855; Naatje overleed drie jaar later.
Door Mariëlle Hageman
Regionaal Archief Alkmaar