In de negentiende eeuw was wetenschap een publieke belevenis. Nieuwe ontdekkingen vonden niet alleen plaats in het laboratorium, maar werden ook getoond op het podium. Krantenadvertenties uit de regio Alkmaar laten zien dat experimenten met licht, elektriciteit en optische illusies op kermissen, in koffiehuizen en in theaters volle zalen trokken.
Wie op vrijdag 2 september 1898 de Alkmaarsche Courant opensloeg, werd uitgenodigd voor een middag vol wonderen. Aan de Laat trad dat weekend de ‘vermaarden illusionist’ Eduard Chambly op met ‘buitengewone voorstellingen’ vol geestverschijningen en visueel bedrog. Twee jaar eerder had Chambly in schouwburg de Harmonie indruk gemaakt met de laatste wetenschappelijke sensatie van dat moment: het ‘fotografeeren met x-stralen’. Met behulp van de pas ontdekte röntgenstraling maakte hij de botten in zijn hand zichtbaar voor het publiek.
Dergelijke advertenties en demonstraties waren in de late negentiende eeuw geen zeldzaamheid. In Alkmaar, Heerhugowaard, Schagen, Den Helder en omliggende plaatsen traden met regelmaat illusionisten op. De aankondigingen in de lokale kranten van hun optredens laten niet alleen zien hoe populair dit spektakelvermaak was, maar ook hoe het aansloot bij een bredere, internationale cultuur waarin wetenschap, optische illusies en theater met elkaar verweven waren.
Wetenschap als spektakel
De optredens van Chambly en zijn tijdgenoten stonden in een traditie die in de eerste helft van de negentiende eeuw bekendstond als ‘physiques amusantes’: natuurwetenschappelijke demonstraties die bedoeld waren voor kennisoverdracht en bovenal voor publiek vermaak. Illusionisten presenteerden zich als ‘professeur’ en experimenteerden met natuurkundige principes als elektriciteit, optica en mechanica in de vorm van spectaculaire podiumeffecten.
Wetenschappelijke instrumenten zoals microscopen, toverlantaarns en projectietoestellen speelden daarbij een belangrijke rol. Zij maakten het mogelijk om het onzichtbare zichtbaar te maken en het publiek te imponeren: wat met het blote oog onzichtbaar was, werd door middel van lenzen en licht tastbaar gemaakt op het podium. Minuscule organismen konden worden uitvergroot tot menselijke schaal en met behulp van nieuwe fotografische technieken werden statische beelden tot leven gewekt. Zo maakte de pas uitgevonden stereocamera het mogelijk om driedimensionale beelden te creëren met behulp van twee lenzen en verbonden sluiters – een ervaring die op kermissen veel publiek trok.
Deze vormen van wetenschappelijk spektakel werden in de regio veelvuldig gedemonstreerd. In januari 1872 gaf ‘de heer Maju’ in Noord-Scharwoude een ‘zeer belangwekkende voorstelling’ met zijn ‘hydro-oxygeen-gasmicroscoop', een projectiemicroscoop die met behulp van een krachtige gasvlam microscopische objecten sterk vergroot op een scherm zichtbaar maakte. Voorwerpen uit het planten- en dierenrijk, ‘die wegens hunne kleinheid en fijnheid voor het bloote oog naauwelijks of niet merkbaar zijn’, werden ‘duizenden malen vergroot’. De Heldersche en Nieuwedieper Courant prees zowel de kwaliteit van de preparaten ‘van allerlei fraaije en belangrijke natuurvoorwerpen’ als de zorg waarmee Maju het publiek wist te ‘leeren en te vermaken’.
Internationaal netwerk
Deze demonstraties maakten deel uit van een internationaal netwerk van rondreizende artiesten. Belangrijk om te noemen is het Royal Polytechnic Institution in Londen, waar dagelijks lezingen werden gegeven en natuurkundige demonstraties plaatsvonden. Het instituut fungeerde als inspiratiebron voor rondreizende artiesten en vormde een belangrijke schakel tussen wetenschappelijke vernieuwing en publiek amusement.
Ook ‘de heer Maju’ – oftewel Levie Kinsbergen Maju (1823–1886) – die in 1872 Noord-Scharwoude bezocht, had zich in 1864 aangesloten bij het programma van het Royal Polytechnic Institution. Tijdens zijn verblijf in Londen verwierf hij een licentie op de techniek die bekend zou worden als ‘Pepper’s Ghost’, vernoemd naar de chemicus John Henry Pepper, docent en later directeur van het Londense instituut. Door middel van glasplaten en reflecties kon een zwevende, haast tastbare gestalte worden gesuggereerd.
Via artiesten als Maju verspreidden deze technieken zich over uiteenlopende Europese podia en werden illusionistenshows steeds populairder, met name in theaters en op wereldtentoonstellingen in steden als Londen, Brussel en Parijs. In Parijs verwierven illusionisten als Henry Robin en Jean Eugène Robert-Houdin – inspirator van de latere Harry Houdini – internationale bekendheid, tot privéoptredens aan het Britse hof aan toe.
Krantenadvertenties uit Alkmaar en omgeving laten zien hoe deze internationale cultuur haar weg vond naar een regionaal circuit van kermissen, koffiehuizen, theaterzalen en cafés. In verschillende plaatsen en perioden duiken bekende en minder bekende namen van artiesten op, waaronder Eduard Chambly, Jean Seul, Henri Mullens en David Tobias Bamberg. De regio werd daarmee een schakel in een Europees netwerk waarbinnen technieken, acts en artiesten voortdurend circuleerden. De identiteit van deze artiesten is vanwege veelvuldig gebruik van pseudoniemen niet altijd makkelijk te achterhalen, maar vaak maakten illusionisten deel uit van artiestenfamilies en waren zij van Duitse of Joodse komaf.
Spook-kabinet
Opvallend in de aankondigingen van hun lokale optredens is de uitgesproken theatrale taal, met titels als ‘Het geheimzinnige spook-kabinet’, ‘De geheimnisvolle Geestenkamer’ en ‘Indische mysteriën’. Zulke benamingen weerspiegelen de internationale belangstelling voor oriëntalisme, spiritisme en optische illusies.
Achter deze geheimzinnige benamingen gingen concrete technieken schuil. Schaduwbeelden maakten gebruik van lichtprojectie en spookverschijningen konden worden opgewekt met varianten op de magische lantaarn of effecten vergelijkbaar met de door Maju in Nederland geïntroduceerde techniek ‘Pepper’s Ghost’.
Naast deze optredens met een meer technisch karakter bestond er ook een vaardigheidsgerichte, op klassieke goochelarij gebaseerde traditie. David Tobias Bamberg presenteerde zich bijvoorbeeld als ‘de man met de wonderhanden’ en legde de nadruk op handigheid, snelheid en technische beheersing. In deftiger bewoordingen noemden zulke artiesten zich ‘prestidigitateur’, afgeleid van ‘preste’ (vlug) en ‘digitus’(vinger).
Er waren dus individuele verschillen, maar wat de negentiende-eeuwse illusionisten gemeen hadden, was dat zij hun optredens nadrukkelijk als vermaak en educatie presenteerden. Ondanks termen als ‘experimental-physiek’ of academische titels als ‘professor’ deden zij geen aanspraak op medische of therapeutische krachten. Op die manier namen zij afstand van pseudo-wetenschappelijke praktijken zoals zwarte magie en zogenaamde ‘magnetiseurs’, die genezing van zenuwziekten en andere kwalen beloofden.
Van podium naar instituut
Deze illusionisten traden op in een periode waarin het begrip van wetenschap volop in ontwikkeling was. Het publiek maakte nog niet altijd een duidelijk onderscheid tussen een visuele demonstratie en een theatrale ervaring. Voor veel toeschouwers was dat onderscheid ook niet belangrijk; het ging om de sensatie en het gevoel van verwondering dat zulke optredens teweegbrachten.
Naarmate de tijd verstreek, werd wetenschap steeds nadrukkelijker gezien als een institutioneel, rationeel domein. Theatrale experimenten pasten niet langer binnen de wetenschapsbeoefening. Illusionisme verdween daarmee niet uit het publieke leven, maar ontwikkelde zich verder als zelfstandige vorm van amusement. Visuele trucs, mechanische effecten en optisch bedrog bleven populair, zij het losgekoppeld van de wetenschap. Wat overbleef was een kunst die niet langer wetenschappelijke kennis demonstreerde, maar verwondering bij het publiek als doel op zichzelf had.
Door Frederiek ten Broeke
Regionaal Archief Alkmaar