Boven een van de deuren van het markante gebouw aan de Alkmaarse Keetgracht prijkt de vroegere functie van de plek: ‘Stadtstimmerwerf’. Boven de andere deur staat een jaartal: ‘Anno MDCCXXVI’ – oftewel 1726, dit jaar precies driehonderd jaar geleden. Vanaf deze Stadstimmerwerf werden eeuwenlang de openbare werken van de stad gecoördineerd en uitgevoerd.
Op een driehoekig aangeplempt terrein tussen de Keetgracht, Oudegracht en Limmerhoek lag al aan het einde van de zestiende eeuw een stadswerf. De werf diende als centrale werkplaats voor werkzaamheden aan stedelijke bouwwerken – van de bouw van stadspoorten tot het onderhoud van kades en bruggen – en als opslagplaats voor de materialen die daarvoor nodig waren. Die werkzaamheden vielen toen onder de verantwoordelijkheid van de zogeheten fabrieksmeesters.
Op de bekende kaart van Cornelis Drebbel uit 1597 is het terrein al te zien, nog zonder bebouwing maar wel omheind en met wat lijkt op opgeslagen materialen. De werf was omgeven door water, en dat was handig met het oog op het transport van de materialen per boot.
In 1600 liet het Alkmaarse stadsbestuur een schuur op het terrein neerzetten met opslagruimte voor onder meer hout, stenen, touwwerk en teer. Johannes Blaeu gaf die schuur weer op zijn kaart van 1649. Het is een langwerpig bouwwerk langs de Keetgracht, met daarachter het terrein van de werf dat zich uitstrekt tot wat tegenwoordig de Korte Vondelstraat is. Volgens de legenda bij de kaart was dit het ‘Stats Timmer Erf’.
Lodewijk XIV
De vrij eenvoudige keet werd in 1726 verbouwd tot het veel statigere gebouw dat er nu nog staat. In die periode stond Simon Eikelenberg aan het hoofd van de Stadstimmerwerf. Hij maakte niet alleen naam als stadsgeschiedschrijver en kunstschilder, maar was als stadstimmerbaas ook verantwoordelijk voor het toezicht op de stadswerken en de werklieden die het bouw- en onderhoudswerk uitvoerden – meestal zelfstandige vaklieden.De hoogste verantwoordelijkheid voor deze openbare werken was in 1707 overgegaan van de fabrieksmeesters naar de Alkmaarse burgemeesters. Zij vergaderden wekelijks op zaterdag in een vertrek in het gebouw van de Stadstimmerwerf dat bekendstond als de Zaterdagse Kamer. Die kamer was al voornamer ingericht om beter aan te sluiten bij de status van de burgemeesters en had onder meer een schouw met beeldhouwwerk gekregen. De verbouwing van 1726 moest de uitstraling van het gebouw als geheel verder vergroten en aanpassen aan de heersende mode, de stijl van de Franse koning Lodewijk XIV. Delen van het oudere gebouw bleven daarbij trouwens wel bewaard; ook nu dateert een deel van het metselwerk nog van rond 1600.
Vissenschubben
Met name de twee ingangen aan de voorkant van het gebouw, aan de Keetgracht, kregen bij de verbouwing een veel sierlijker voorkomen. De ingangspartijen sprongen voortaan wat naar voren uit de gevel en aan weerszijden van de deuren kwamen pilasters met daarbovenop een gootlijst, ondersteund door houten consoles oftewel gootklossen. Die gootklossen waren in de Lodewijk XIV-stijl versierd met motieven van planten en vissenschubben. Boven op de lijst kwam een boogje – een zogenoemd segmentfronton – met daarin een dubbel venster. Daarboven gaf een verhoging, ook wel attiek, het gebouw nog extra allure.
Het hoofdgebouw werd bovendien uitgebreid met aan weerszijden lagere vleugels langs het water. Hierin was ruimte voor onder meer de timmerlieden, schilders en metselaars die voor de stad aan het werk waren. Het complex kreeg daarmee een U-vorm. De decoratieve lijsten met de klossen, die bij de twee ingangen begonnen, liepen door over de zijgevels.
De rechteringang aan de Keetgracht werd de hoofdingang. Daarachter lag een ruime hal, met rechts daarvan de vergaderkamer en een aantal werkkamers en links woonruimte voor de stadstimmerbaas.
Ruimtegebrek
Om plek te bieden aan de verschillende werkzaamheden en materialen verrezen in de loop van de tijd allerlei bijgebouwen op het terrein van de Stadstimmerwerf. Vooral vanaf het begin van de twintigste eeuw werd het ruimtegebrek er steeds nijpender. De stad nam toen meer werklieden in dienst om de gemeentewerken uit te voeren, en ook het aantal kantoormedewerkers groeide, zeker na de oprichting van de afdeling Bouw- en Woningdienst in 1910. Precies tweehonderd jaar na de grote achttiende-eeuwse verbouwing, in 1926, werd het hoofdgebouw opnieuw ingrijpend gerenoveerd. De kapconstructie, deels nog een overblijfsel van de oude schuur van rond 1600, viel daarbij ten prooi aan de sloophamer.
Gemeentewerken, zoals de dienst intussen officieel heette, ging in 1943 samen met andere gemeentelijke diensten op in de nieuwe dienst Openbare Werken. In de decennia daarop volgden verschillende uitbreidingen op het terrein van de Stadstimmerwerf, totdat de werkplaatsen en de materiaalopslag in 1963 verhuisden naar de Herculesstraat. De oude Stadstimmerwerf aan de Keetgracht kreeg daarna vooral een technische en administratieve functie.
Moderne kantoorruimte
In 1984 liet de gemeente een grootschalig nieuw stadskantoor op het werfterrein bouwen. Maar nog geen twintig jaar later vertrok de gemeente Alkmaar na zo'n vier eeuwen definitief van de oude Stadstimmerwerf. In 2005 werden alle toevoegingen rondom het hoofdgebouw gesloopt zodat alleen de oorspronkelijke U-vorm overbleef. Het oude gebouw onderging een grondige restauratie tot moderne kantoorruimte met op de binnenplaats nieuwbouw. Daarachter, op het oude werfterrein, verrees een groot appartementencomplex. Het beheer en onderhoud van de stedelijke openbare ruimte behoren sinds 2014 tot de taken van Stadswerk072.
Door Mariëlle Hageman
Regionaal Archief Alkmaar
10-3-2026