Een Alkmaarse moordzaak uit 1800

In het archief van het Hof van Holland in het Nationaal Archief bevindt zich een dik dossier over een Alkmaarse moordzaak, inclusief twee mooie tekeningen van het huis waar de moord plaatsvond. De bekende Alkmaarse kunstenaar J.A. Crescent had deze op verzoek getekend als situatieschets van de plaats delict. Genoeg aanleiding om eens in deze zaak te duiken.

Op de avond van 1 oktober 1800 klinkt er gekerm uit het huis van de Alkmaarse uitdrager Willem Kieftenburg op de hoek van de Laat en de Hofstraat. Carolina Lagalie en Jan van Huizen, die in de buurt wonen, horen het geluid en gaan samen op onderzoek uit. Ze weten dan nog niet dat dit het begin zal zijn van een langlopende rechtszaak.

locatie aan Laat
(links) Voorzijde van het huis van Kieftenburg op de hoek van de Laat en de Hofstraat. Duidelijk te zien zijn de uitgestalde waren van de uitdragerij op de neergeklapte luiken aan de voorkant en het eerste raam aan de zijkant in de Hofstraat. Tekening door J.A. Crescent, 1802. Nationaal Archief. (midden) Zijkant van het huis aan de Hofstraat. Om door het bovenraampje naar binnen te kunnen kijken stonden de getuigen op het hekje op de voorgrond. Tekening door J.A. Crescent, 1802. Nationaal Archief. (rechts) De huidige situatie op de hoek van de Laat en de Hofstraat, waar het huis van Kieftenburg stond. Foto: Regionaal Archief Alkmaar

De luiken van het huis zijn gesloten. Carolina en Jan willen naar binnen kijken en klimmen beurtelings op het hekje naast het huis in de Hofstraat en zien door de bovenraampjes in de kamer een kandelaar met een brandende kaars. Jan ziet er ook een persoon ‘met een ruige jas aan en een ronde hoed op het hoofd’ rondlopen. Later zal blijken dat die persoon de 24-jarige Nicolaas Brouwenstein is, een kastenmaker, geboren in Amsterdam en wonend aan het Ritsevoort.

Gekerm

Even later horen ze aan de Laat de voordeur van het huis opengaan en zien de bewuste man naar buiten gaan. Ze lopen naar hem toe en vragen wat er aan de hand is. Brouwenstein antwoordt dat de vrouw van Kieftenburg, Maria Greeve, boven ziek op bed ligt en dat hij op weg is om de chirurgijn te halen. Jan en Caroline vertrouwen het zaakje niet, houden Brouwenstein in de gaten en lopen met hem mee naar de Hoge Steenenbrug bij de Vismarkt, waar chirurgijn Slot woont. Met zijn allen lopen ze terug naar het huis van Kieftenburg. Brouwenstein zegt dan dat hij naar huis moet en probeert in de Huigbrouwerssteeg weg te lopen, maar dat lukt hem niet. Ze houden hem vast en hij kan zich niet losrukken. Aangekomen bij het huis weigert Brouwenstein om naar binnen te gaan en houdt zich vast aan de deurposten. Hij wordt naar binnen geduwd en daar ziet men Maria Greeve bewusteloos op de grond liggen. Zonder muts, met een flinke hoofdwond en ‘swemmende in haar bloed’. Niet ver van haar vandaan ligt een zware, met bloed bedekte moker.

De Visbanken en de Hoge Steenenbrug
De Visbanken en de Hoge Steenenbrug op een tekening. Het huis met de klokgevel aan de rechterkant was het huis van chirurgijn Slot. Tekening van J. de Bleyker sr., 1858.

Van boven klinkt nog steeds gekerm, daar ligt Willem Kieftenburg op de grond, zwaargewond en flink bloedend, met in de buurt een klein steekbeiteltje met bloedvlekken. Ze tillen Kieftenburg naar beneden en leggen hem in de bedstede.

De schout van Alkmaar, mr. Zacheus van Foreest, is inmiddels ook gewaarschuwd en gearriveerd. Hij constateert dat allebei de slachtoffers bewusteloos zijn en ziet dat de handen van de verdachte Brouwenstein onder het bloed zitten. Ook zijn broekspijpen zijn bezaaid met bloedspetters. Genoeg reden om Brouwenstein te arresteren, en hoewel hij ontkent dat hij er ook maar iets mee te maken heeft, wordt hij in het gevang gezet.

De huidige situatie van het huis van chirurgijn Slot
De huidige situatie van het huis van chirurgijn Slot, het middelste van de drie huizen. Foto: Regionaal Archief Alkmaar

Radbraken

Drie dagen later overlijdt Maria. Haar man overleeft de aanslag en na een kleine vier weken is hij alweer in staat om een verklaring af te leggen. Hij vertelt dat Brouwenstein die avond twee keer bij hem is geweest. De eerste keer met de moker, waarover ze ruzie kregen. Daarop had Brouwenstein het huis verlaten, de moker liet hij achter. Kort daarna keerde hij terug om wat repareerwerk te doen aan meubels die bij Kieftenburg op de bovenverdieping stonden. Daar aangekomen zag Brouwenstein een blauwe duffelse jas met een rood kraagje hangen en zei: ‘Wel Kieftenburg, wat heb je tog veel goed, je moest tog mij die jas verkoopen’. Kieftenburg antwoordde daarop: ‘Dat doe ik niet, want je hebt geen geld’. Brouwenstein ontstak daarop in woede, en dat is het laatste wat Kieftenburg zich nog kan herinneren van die avond.

Op basis van de verklaringen en zijn eigen bevindingen eist schout Van Foreest de doodstraf. Brouwenstein moet door de beul op een kruis gebonden worden, en ‘van onderen op levendig worden geradbraakt, dat er den dood na volge’. Dat betekent dat met een ijzeren staaf een voor een alle botten in het lichaam gebroken worden. Het lichaam moet nog enige tijd op het kruis tentoongesteld worden en daarna zonder enige ceremonie begraven. De stedelijke rechtbank gaat echter niet mee met de strenge strafeis en besluit Brouwenstein te veroordelen tot geseling en brandmerking, gevolgd door veertig jaar tuchthuis met dwangarbeid en daarna levenslange verbanning. De schout vindt de straf te laag, Brouwenstein vindt hem te hoog, en de zaak komt in hoger beroep voor bij het Hof van Holland in Den Haag.

Hoger beroep

Het pleidooi van de pro-Deoadvocaat van Brouwenstein werpt een mooi licht op de argumentatie voor de eventuele onschuld van Brouwenstein. Zo vraagt hij zich af of Maria wel overleden is door het toegebrachte letsel. De wonden van Kieftenburg waren immers vergelijkbaar en hij leeft nog. Ook waren de wonden niet op de voorgeschreven wijze onderzocht door een arts, een andere doodsoorzaak is dus niet uit te sluiten. Hiermee zou er geen sprake van moord zijn, en zou in ieder geval de doodstraf van tafel zijn. Met het weerspreken van allerlei details wordt de schuldvraag nog verder in twijfel gebracht. Het bloed op de handen van Brouwenstein zou afkomstig zijn van een ouder sneetje in zijn vinger, de jas had hij al een paar dagen eerder van Kieftenburg gekocht en hij was helemaal niet in het huis geweest. Hij had slechts de voordeur geopend en driemaal ‘volk’ geroepen, maar hoorde alleen gekerm. Uit angst om ergens van beschuldigd te kunnen worden, besloot hij niet naar binnen te gaan, maar direct de chirurgijn te halen. Wel is het steekbeiteltje van hem, maar dat had hij een paar dagen eerder bij Kieftenburg laten liggen nadat hij voor hem een klusje had gedaan.

Kortom, de verklaring van Kieftenburg is niet betrouwbaar. Hij verklaarde immers zelf dat hij zich niets meer kon herinneren van wat er die avond na de woede-uitbarsting van Brouwenstein gebeurd was. Misschien dat de herinneringen van Kieftenburg door elkaar zijn geraakt? En het is toch ook absurd om te denken, dat iemand die als een goed en deugdelijk mens bekend staat, een dubbele moord zou plegen om een jas?

De handtekening van Willem Kieftenburg
De handtekening van Willem Kieftenburg en het kruisje van zijn vrouw Maria Greeve, die zelf niet kon lezen of schrijven, onder hun testament.

Voor de Alkmaarse rechtbank gaf dit blijkbaar genoeg reden om te twijfelen, maar het Haagse Strafhof ziet minder reden tot twijfel, en gaat in de strafeis mee met de Alkmaarse schout.

De handtekening van Nicolaas Brouwenstein.
De handtekening van Nicolaas Brouwenstein.

Daags voordat Brouwensteijn wordt geëxecuteerd, neemt het lot een onverwachte wending. De toenmalige koning Lodewijk Napoleon is op dat moment niet aanwezig en heeft besloten alle doodstraffen op te schorten tot hij terug is. Voor Brouwensteijn is het niet alleen uitstel, zijn doodstraf wordt kort daarop omgezet in een levenslang verblijf in het tuchthuis. Daarmee wordt het strafdossier gesloten en het dossier opgeborgen in het archief, inclusief de twee tekeningen. Inmiddels ligt het in de depots van het Nationaal Archief en is alles daar terug te lezen op de website.

Het laatste dat we van Brouwenstein vernemen, is dat op 3 mei 1847 de gevangenisbewaarders Petrus Stephanus en Petrus Hartog, werkzaam op de gevangenis in het Kasteel, gelegen op de Wal te Woerden, aangifte komen doen van het overlijden op 1 mei 1847 van Nicolaas Brouwenstein. Brouwenstein is 78 jaar oud geworden, waarvan hij 46 jaren in de gevangenis heeft doorgebracht.

overlijdensakte Brouwenstein
De overlijdensakte van Nicolaas Brouwenstein, Woerden 1847.


Door Paul Post
Regionaal Archief Alkmaar
Met dank aan Jeroen van Luin van het Nationaal Archief
17-03-2026

test