Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap ‘Ex Oriente Lux’

Interesse voor de geschiedenis en cultuur van het Midden-Oosten bestaat in West-Europa al eeuwenlang. De fascinatie voor de ‘Oriënt’ begon vanaf de negentiende eeuw sterk toe te nemen. Voor allerlei kunstvormen bleek het Oosten een interessant studieobject. Ook in Alkmaar konden geïnteresseerden vanaf 1944 terecht bij de pas opgerichte studiekring van het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap ‘Ex Oriente Lux’.

Drie maanden na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd in Alkmaar een lezing georganiseerd over de Hettitische geschiedenis en beschaving in Anatolië, het tegenwoordige Turkije. Het was de eerste bijeenkomst van de nieuwe studiekring ‘Ex Oriente Lux’, ‘het licht komt uit het Oosten’.  De studiekring was een plaatselijke afdeling van het landelijk Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap, dat op 22 mei 1933 werd opgericht in Leiden. De doelstelling was de kennis van Voor-Azië en Egypte te vergroten door het organiseren van lezingen en bijeenkomsten. 

Briefhoofd van het landelijk Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap Ex Oriente Lux, 1975.
Briefhoofd van het landelijk Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap Ex Oriente Lux, 1975.

Na die eerste lezing in de aula van het Murmellius Gymnasium zouden er nog vele volgen. Zo werd op dinsdagavond 23 oktober 1945 een lezing georganiseerd over de Jordaan. Een verslaggever van de Vrije Alkmaarder was die avond aanwezig. ‘Natuurlijk kwam hier niet de Amsterdamse volkswijk, maar het voor theologen en archeologen zo interessante dal tussen den Hermon en de Doode Zee ter sprake.’ De ‘tamelijk oppervlakkige beschouwing’ door prof. dr. J. Simons met ‘interessante lichtbeelden’ werd redelijk goed ontvangen. 

Sprekers uit het hele land

De studiekring streefde ernaar om ieder jaar minstens vier lezingen te organiseren voor zijn leden. Vanuit het landelijk Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap werd jaarlijks een lijst opgestuurd met beschikbare sprekers en hun interessegebieden per regio. De onderwerpen van de lezingen liepen uiteen van ‘Kinderloosheid in Mesopotamië’ tot ‘De vertelkunst in Genesis’. 

Soms kwamen de sprekers van verder weg en was de studiekring genoodzaakt om onderdak te regelen. Zo werd voor prof. dr. Th. van Baaren op 24 oktober 1956 ‘een kamer gereserveerd in Hotel Victory aan de Langestraat alhier’.  Secretaris De Lange zou de heer Van Baaren die avond vanuit zijn hotel naar schouwburg De Harmonie begeleiden, waar de lezing zou plaatsvinden. ‘Maar mocht dit de secretaris niet uitkomen’, dan twijfelde de heer Van Baaren er niet aan ‘dat ik de weg ook zelf wel zal vinden’.

schouwburg De Harmonie
Veel lezingen van Ex Oriente Lux werden gegeven in schouwburg De Harmonie aan de Gedempte Nieuwesloot, hier op een foto uit 1974 door J. Elsinga.

Het ledenaantal van Ex Oriente Lux stond in juni 1956 op zeventig leden, onder wie ds. Jaap Hemelrijk en de boekerij der St. Adelberts Priorij. Naast de vaste leden kregen ook de rectoren van de plaatselijke lycea een uitnodiging voor de lezing. Op 29 januari 1957 ontvingen zij enkele introductiekaarten voor de lezing ‘De zonneboten bij de Pyramide van Cheops’ van prof. dr. A. de Buck, ‘voor leerlingen van de twee hoogste klassen die voor deze lezing belangstelling mochten hebben’. Het sprak uiteraard vanzelf dat de introductiekaarten ook door de leraren gebruikt mochten worden. 

‘Lezingen zonder lichtbeelden’

De meeste lezingen werden gegeven aan de hand van dia’s, maar niet iedere spreker had deze tot zijn beschikking. De secretaris van het landelijk Genootschap, dhr. Kampman benadrukte bij de verschillende afdelingen dat ook sprekers zonder dia’s een kans moesten krijgen. ‘Wij realiseren ons dat het moeilijk is, volle zalen te trekken voor lezingen zonder lichtbeelden; toch hopen wij dat u het gesproken woord sec niet geheel verwaarloost.’

De onderwerpen van de lezingen werden afgestemd met het landelijk bestuur. Eventuele voorkeuren vanuit de leden werden daar zoveel mogelijk in meegenomen. Zo schreef de secretaris in 1959 in een brief aan het bestuur dat de bestuursleden van de Alkmaarse studiekring ‘voor onze laatste lezing (…) bij voorkeur een onderwerp kiezen, dat onze predikanten belang inboezemt’. Ter illustratie werden de Dode Zeerollen genoemd, die een paar jaar daarvoor waren ontdekt aan de noordwestkust van de Dode Zee.

krantenartikelen
(links) Oprichtingsbericht van de nieuwe studiekring in het Dagblad voor Noord-Holland: Alkmaarsche editie, 1 september 1944. (rechts) Verslag van de lezing over de Jordaan door prof. dr. J. Simons in de Vrije Alkmaarder, 24 oktober 1945.

Arabië en de Islam

Twee jaar eerder, op 7 november 1957 bemerkte de secretaris van Alkmaar ‘dat de laatste tijd onder de leden een stijgende belangstelling is waar te nemen voor problemen rondom Arabië en de Islam’. Zijn voorstel om één van de lezingen te wijden aan een Arabisch onderwerp, werd niet enthousiast ontvangen door secretaris Kampman. ‘Ik kan wel sprekers vinden, die de moderne politiek van het Nabije Oosten behandelen, maar ‘Ex Oriente Lux’ houdt zich verre van de politiek en ik zou er dan ook beslist tegen zijn, dergelijke onderwerpen door onze studiekring te laten behandelen.’

Tussen 1964 en 1975 werkte de studiekring verschillende keren samen met de Alkmaarse afdeling van het Nederlands Klassiek Verbond. Deze vereniging stelde zich ten doel de kennis over de Klassieke Oudheid te vergroten. Door de vele raakvlakken tussen Ex Oriente Lux en het Klassiek Verbond leek het samen optrekken een logische keuze. De secretaris hoopte met deze gezamenlijke lezingen op een grotere opkomst en ‘een lager uitgavepeil’. Er kwamen in die periode inderdaad iets meer leden naar de lezingen, maar de kosten bleven onverminderd hoog.

Folder van het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap Ex Oriente Lux.
Folder van het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap Ex Oriente Lux.

De jeugd

Op 29 maart 1973 werd in Alkmaar de honderdste bijeenkomst gehouden. Het thema van de lezing was ‘Grepen uit de geschiedenis van de stad Jerusalem’. Ondanks de oproep om de bijeenkomst in groten getale te bezoeken, ‘heeft de jeugd de weg naar Ex Oriente Lux in Alkmaar nog niet gevonden’. De opkomst bleek niet zo hoog als gehoopt. ‘Lezingen schijnen de jonge mensen tegenwoordig niet meer te interesseren.’ 

gevel van Mient 17
Het Oosten was ook een interessant studieobject voor veel architecten. Op de gevel van Mient 17 staan verschillende op het Oude Egypte geïnspireerde hoofden afgebeeld. Foto door J. Elsinga, 1980.

Ook het veelvuldig ‘afficheren op scholen, leeszalen en musea’ mocht niet baten. ‘Het aantal leden van E.O.L. dat de lezingen deze winter heeft bijgewoond, is gemiddeld onder de tien gebleven. Een bedenkelijke situatie!’ Op 12 september 1975 stond het ledenaantal van de leeskring op 26, inclusief de drie bestuursleden. Daarmee werd de toekomst van de vereniging onzeker. ‘Minimaal bezoek van de vergaderingen is weinig inspirerend voor bestuur en leden, zodat de gedachte opkomt om ermee te stoppen.’

Na een schriftelijke stemming over de toekomst van de studiekring bleek de uitslag duidelijk. Veertien van de 24 leden stemden vóór de opheffing. Leden die lid wilden blijven van Ex Oriente Lux konden aansluiten bij de afdeling in Hoorn. De Alkmaarse studiekring werd officieel ontbonden. ‘Tot mijn spijt moet ik u mededelen, dat het bestuur van de afdeling Alkmaar, na raadpleging van de leden, heeft besloten de afdeling op te heffen en dus geen lezingen meer te organiseren.’

Door Loes Ekhart
Regionaal Archief Alkmaar
12-5-2026

 

test