In 1663 publiceerde de Leidse uitgeverij Elzevier een indrukwekkende editie van de Statenvertaling: Biblia, dat is, De gantsche Heylige Schrifture, vervattende alle de canonijcke boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments. Een exemplaar belandde in de Grote Kerk van Alkmaar, waar het eeuwenlang op de kansel lag. In 1995 droeg de Hervormde Gemeente het boek over aan het Regionaal Archief. Recent onderzoek bracht nieuwe inzichten aan het licht over de rijke geschiedenis van deze bijzondere bijbel.
Tijdens de Synode van Dordrecht in 1618, een belangrijke kerkvergadering, werd besloten dat er een nieuwe Nederlandstalige Bijbelvertaling moest komen, gebaseerd op de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse teksten. Bestaande protestantse vertalingen, zoals die van Jacob van Liesveldt en Maarten Luther, hadden namelijk al geruime tijd tot verdeeldheid geleid. In opdracht van de Staten-Generaal gingen zes vertalers aan het werk. Zij vestigden zich in Leiden, waar zij gebruikmaakten van de universiteitsbibliotheek en de expertise van collega-geleerden.
In 1637 werd de langverwachte vertaling officieel aangeboden aan de Staten-Generaal, al verliep de verspreiding niet zonder problemen. Het privilege om de bijbel vijftien jaar lang uit te geven kwam in handen van Machteld Aelbrechtsdr. van Leuningen, weduwe van Hillebrant Jacobsz. van Wouw. Zij werkte samen met de Amsterdamse drukker Paulus Aertsz. van Ravesteyn, die speciaal voor deze opdracht zijn bedrijf naar Leiden verplaatste. Het monopolie bleek echter moeilijk te handhaven. Al snel verschenen goedkopere, illegale nadrukken, vooral in Amsterdam, waar veel weerstand bestond tegen deze lucratieve regeling. Toen het privilege in 1652 afliep en niet werd verlengd, brachten ook anderen Statenbijbels op de markt. Zo verscheen in 1657 onder leiding van Elisabeth Sweerts, de weduwe van de inmiddels overleden Van Ravesteyn, de zogenoemde ‘Corrigeerbijbel’, een verbeterde folio-editie die later als standaard ging dienen.
De Alkmaarse kanselbijbel behoort tot de daaropvolgende generatie uitgaven. In 1663 verzorgde Eva van Alphen, weduwe van Johannes Elzevier, een nieuwe editie van de Statenvertaling. Deze Elzevierbijbel valt op door zijn royale formaat, hoge drukkwaliteit en verzorgde typografie. Opvallend is vooral dat voor het eerst geen gotische letter werd gebruikt, maar een Romeins lettertype, dat – naar hedendaagse maatstaven – aanzienlijk beter leesbaar is.
De wereld in kaart
De Alkmaarse kanselbijbel onderscheidt zich niet alleen door de tekst, maar ook door de kleurrijke kaarten die erin zijn opgenomen. Hoewel protestanten doorgaans terughoudend stonden tegenover versiering rond het Woord van God, werden geografische voorstellingen wel geaccepteerd als hulpmiddel bij het begrijpen van de Bijbeltekst. In de loop van de zeventiende eeuw ontstond dan ook een min of meer gestandaardiseerde reeks van zes kopergravures: een wereldkaart, het paradijs, de woestijnreis, Jeruzalem, het Beloofde Land en de zendingsreizen van de apostel Paulus.
Deze kaarten maakten echter niet standaard deel uit van iedere uitgave. Kopers bepaalden zelf welke kaarten zij wilden laten opnemen en of deze vervolgens met de hand werden ingekleurd. Ook de Alkmaarse kanselbijbel laat die persoonlijke keuzes duidelijk zien. Een vroege eigenaar koos voor de volledige zesdelige reeks en liet de kaarten rijkelijk inkleuren door een gespecialiseerd ambachtsman, de ‘afsetter’. Om de bijbel extra allure te geven, bracht de ‘afsetter’ bovendien veel bladgoud aan. De prenten waren gegraveerd door Abraham van den Broeck en vanaf 1657 gedrukt door Nicolaes Visscher. In de voorstellingen is subtiel diens drukkersmerk verwerkt: een visser met hengel en netten, een speelse verwijzing naar de familienaam.
Zeventien kilo
De bijbel lag eeuwenlang opengeslagen op de kansel van de Grote Kerk, al werd hij later niet meer gebruikt voor de schriftlezing tijdens de kerkdienst. Dat is niet verwonderlijk. Met afmetingen van 53 bij 36 centimeter, een dikte van zeventien centimeter, circa 1450 bladzijden en een gewicht van maar liefst zeventien kilo was dit geen boek om regelmatig ter hand te nemen. Dat was ook niet de bedoeling, want bijbels in dit formaat waren in de eerste plaats bedoeld als pronkstukken.
Gewoonlijk lagen kanselbijbels ergens in het midden opengeslagen, zodat de bladzijden mooi over twee zijden verdeeld waren, vaak bij het boek Jeremia. De Alkmaarse kanselbijbel vormt hierop geen uitzondering. Dit gebruik leidde tot een veelvoorkomende vorm van slijtage, de zogenoemde ‘pijschade’. Predikanten schuurden met de wijde mouwen van hun toga langs de onderhoeken van de pagina’s, waardoor de bladen opkrulden, inscheurden en uiteindelijk zelfs gedeeltelijk verloren gingen. De overige pagina’s verkeren daarentegen nog in opmerkelijk goede staat, afgezien van enige vochtschade.
In 1995 werd de bijbel, samen met enkele andere boeken uit de Grote Kerk, overgebracht naar het Regionaal Archief. De kaarten zijn inmiddels gedigitaliseerd, zodat het kwetsbare object zoveel mogelijk kan worden ontzien.
Arsenicum
Binnen de erfgoedsector is de afgelopen jaren steeds meer aandacht ontstaan voor arsenicum in bibliotheekcollecties. Tot ongeveer 1960 werd arsenicum gebruikt om allerlei gebruiksobjecten groen te kleuren. Ook boekgerelateerde materialen, zoals banden, sneden, schutbladen en leeslinten, ontkwamen niet aan deze modegril.
Om medewerkers en bezoekers tegen deze schadelijke stof te beschermen, heeft het Regionaal Archief diverse veiligheidsmaatregelen ingevoerd. Boeken die als ‘verdacht’ worden aangemerkt, gaan naar het restauratieatelier voor nader onderzoek. Ook de kanselbijbel werd recent onderzocht. Daarom werd hij voor het eerst in jaren van de plank gehaald en kon zijn indrukwekkende inhoud opnieuw worden bekeken. In het restauratieatelier nam de papierrestaurator een wrijfmonster van de groen gekleurde delen van de kaart van Jeruzalem, dat vervolgens werd getest op de aanwezigheid van arsenicum. De uitslag was negatief: de gebruikte verf bevat geen arsenicumhoudende kleurstoffen.
Het onderzoek leverde nog wel een onverwachte ontdekking op. In de rug van de kanselbijbel bleek een tot nu toe onbekend, veel ouder fragment verborgen te zitten. Het gaat om een deel van een middeleeuws religieus handschrift, mogelijk een antifonarium, uit de late dertiende eeuw. Het is gemaakt van perkament en werd gebruikt om de boekband van de kanselbijbel te verstevigen. Het exacte karakter van het fragment blijft vooralsnog onzeker. Het bevindt zich nog altijd in de band en kan met de huidige technieken niet nader worden onderzocht zonder de boekband te beschadigen. De Alkmaarse kanselbijbel draagt daarmee niet alleen zijn eigen geschiedenis met zich mee, maar bewaart ook een tastbaar spoor van een nog ouder verleden.
Door Noa Zijlstra
Regionaal Archief Alkmaar
18-5-2026