Twee gevluchte slaafgemaakten in Den Helder

Twee zwarte mannen arriveerden in juni 1819 aan boord van een Nederlands schip in de haven van Den Helder. De kapitein van het schip had de mannen voor de kust van Brazilië opgevist uit zee. Hij vermoedde dat zij gevluchte slaafgemaakten waren. Vanuit Den Haag kreeg de Helderse politiecommissaris opdracht het voorval en de rol van de kapitein daarbij te onderzoeken. Het verloop van dat onderzoek is via verschillende archieven te volgen.

Toen de brik Den Amstel op 15 juni 1819 de haven in het Nieuwediep binnenliep, nam de kapitein van het schip, Doeke Gerritsz Doeksen, meteen contact op met de autoriteiten in Den Helder. Aan boord had hij twee zwarte mannen, zo meldde hij. Hij had de twee opgepikt op de terugweg van Brazilië, waar ze voor de kust van de provincie Bahia in een klein bootje voeren. Dat bootje had de kapitein ook aan boord genomen. Omdat Doeksen maar één van de twee mannen heel gebrekkig kon verstaan, kende hij hun namen niet en wist hij ook niet waar ze precies vandaan kwamen, al vermoedde hij wel dat zij ‘ontvlugte slaven’ waren. In Bahia, dat op dat moment nog in Portugese handen was, werkten grote aantallen slaafgemaakte mensen uit Afrika onder dwang op vooral suikerrietplantages.

brief van de minister van justitie
De brief van de minister van justitie over de kwestie van de twee bij Bahia opgevist mannen in het archief van de gemeente Den Helder.

We weten van de aankomst van de twee gevluchte slaafgemaakte mannen in Den Helder doordat de Helderse politie er melding van maakte bij de procureur-generaal in Den Haag oftewel het openbaar ministerie en vroeg wat er met de twee moest gebeuren. De kwestie werd voorgelegd aan de minister van justitie. Een brief met zijn reactie is bewaard gebleven in het oude archief van de gemeente Den Helder.

kaart bahia
Kaart van rond 1700 van een deel van de kust van Brazilië bij Bahia, met de Allerheiligenbaai. Rijksmuseum Amsterdam.

Slavenhandel

De minister gaf opdracht onderzoek te doen naar de twee mannen en kapitein Doeksen te verhoren. In het bijzonder moest de Helderse politie achterhalen ‘welk oogmerk of welke inzigten’ de kapitein had gehad door ‘de twee negers […] die men veronderstelt ontvlugtte slaven te zijn, aan boord te nemen, en dezelve herwaarts over te voeren’.
 
Reden voor het onderzoek was dat ruim een half jaar eerder, op 20 november 1818, een wet was aangenomen die de slavenhandel aan banden moest leggen. Hoewel slavernij in de Nederlandse koloniën nog zo’n halve eeuw zou blijven bestaan, bepaalde de wet onder meer dat Nederlandse schepen niet langer slaafgemaakten mochten transporteren, enkele uitzonderingen daargelaten. Een van die uitzonderingen was vastgelegd in artikel 6 van de wet. Daarin stond dat het wel was toegestaan een schip dat slaafgemaakte mensen vervoerde te helpen als dat in nood verkeerde, en ook om slaafgemaakten uit zo’n schip over te nemen. De minister schrijft in zijn brief dat de Helderse politiecommissaris moest uitzoeken of kapitein Doeksen in strijd met de wet had gehandeld toen hij de twee zwarte mannen meenam of dat hij zich wilde beroepen op dat artikel 6 – en als dat zo was, in hoeverre hij dan had voldaan aan de bepalingen in het artikel.

Kaart van (Den) Helder
Kaart van (Den) Helder met links de haven in het Nieuwediep, rond 1820. Het noorden is op deze kaart beneden weergegeven. Noord-Hollands Archief.

José

Uit de agenda van de minister van justitie, die bewaard wordt in het Nationaal Archief in Den Haag, blijkt dat de minister in de maanden die volgden nog een aantal brieven over de kwestie ontving en verstuurde, maar de brieven zelf zijn helaas niet bewaard gebleven. Wel wordt uit de beschrijvingen in de agenda duidelijk dat het schip van kapitein Doeksen in juli Den Helder had verlaten en toen in de haven van Amsterdam lag – met aan boord nog maar één van de twee zwarte mannen. 

De andere man was nog geen week na aankomst in Den Helder aan boord van Den Amstel overleden. Op 21 juni deed kapitein Doeksen samen met zijn onderstuurman aangifte van het overlijden. In de Helderse overlijdensakte staat beschreven dat het gaat om een van de twee mannen die bij Bahia waren opgevist. De man wordt in de akte José genoemd; hij was ‘na gissing vier a vijfentwintig jaren’ oud geworden. Waaraan hij was overleden staat er niet bij.

De haven in het Nieuwediep
De haven in het Nieuwediep rond 1830 door P.A. Beretta. Noord-Hollands Archief.


 
Het verhaal van kapitein Doeksen en de overlevende man uit Brazilië, die al snel Buto bleek te heten, is verder te volgen in het archief van de Amsterdamse politie. De directeur van de politie daar stuurde de conclusies van het onderzoek naar de kapitein door naar de openbaar aanklager in Den Haag. Daaruit komt naar voren dat Den Amstel ruim vóór de invoering van de wet tegen de slavenhandel was uitgevaren: al in februari 1818 was het schip uit Nederland vertrokken om via Madeira naar Rio de Janeiro te varen. Het was meer dan een jaar weggebleven en was onderweg geen enkel ander Nederlands schip tegengekomen. Kapitein Doeksen was daarom helemaal niet op de hoogte van de nieuwe wet, en had dat ook niet kunnen zijn. De kapitein viel dus niets te verwijten, was de conclusie.

Een deel van de overlijdensakte van José
Een deel van de overlijdensakte van José van 21 juni 1819.

Tranen en jammerklagten

De Amsterdamse politiedirecteur zat nog wel in zijn maag met de ‘overgebleven neger’. Wat moest er met hem gebeuren? Hij zou teruggestuurd kunnen worden naar Brazilië, opperde hij, en tot die tijd kon hij wel opgevangen worden in bijvoorbeeld een marinehospitaal. De minister van justitie suggereerde daarop om gewoon aan de man zelf te vragen waar hij naartoe wilde, aangezien hij zich nu blijkbaar wél ‘door anderen [kon] doen verstaan’. Er moest hem in ieder geval duidelijk gemaakt worden dat hij niet in Nederland kon blijven, tenzij hij iemand kon vinden die zich zijn lot zou aantrekken en hem in dienst wilde nemen.

Zo iemand was er inderdaad. Intussen had kapitein Doeksen namelijk een bijzondere band opgebouwd met Buto. Volgens de Amsterdamse politiedirecteur waren Buto's ‘trouw en gehechtheid’ aan de kapitein onmiskenbaar. De man – door de politiebaas stereotyperend omschreven als een echt ‘kind der natuur’ – barstte in ‘tranen en jammerklagten’ uit als er maar in de verste verte sprake van was dat hij ‘zijnen beminden kapitein zoude moeten verlaten’. De kapitein gaf op zijn beurt aan dat hij Buto graag bij zich wilde houden. Hij beloofde voor hem te zorgen als voor zijn eigen kinderen. 

Brief van de Amsterdamse politiecommissaris
Brief waarin de Amsterdamse politiecommissaris de ‘trouw en gehechtheid’ van Buto aan kapitein Doeksen beschrijft. Stadsarchief Amsterdam.

De minister van justitie ging ermee akkoord dat Doeksen de zorg voor Buto op zich nam en beschouwde ‘de zaak van den Neger Buto genaamd’ daarmee voor afgedaan. Daarna gaat het spoor van Buto in de archieven verloren. Kapitein Doeksen voer in de jaren die volgden regelmatig op en neer naar Suriname en later ook naar Batavia. Misschien opnieuw met Buto aan boord?

Door Mariëlle Hageman
Regionaal Archief Alkmaar
26-5-2026

test