Komedie in De Rijp leidde tot jarenlange strijd

Op de eerste dag van de kermis van 1734 had een groep toneelspelers een grote tent opgezet in De Rijp. Maar nog voor ze daar aan hun eerste komedie konden beginnen, greep een gerechtsbode in. Een dik dossier in het Regionaal Archief vertelt het verhaal van de rechtszaken die volgden – en bevat allerlei unieke gegevens over het toneelgezelschap.

toneelstuk op een podium in een dorp
Een toneelstuk op een podium in een dorp, op een achttiende-eeuwse prent van Hendrik Numan. Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

Op 18 september 1734 vroeg toneelspeelster Johanna van der Palts de bestuurders van De Rijp om toestemming om met een groep komedianten op te treden tijdens de jaarlijkse kermis in het dorp. Johanna was de vrouw van Abraham van der Palts, die samen met zijn broer Jan leidinggaf aan een rondreizend toneelgezelschap met Alkmaar als uitvalsbasis. De schepenen van De Rijp gaven toestemming voor het opvoeren van dertien komedies, te beginnen op de eerste dag van de kermis, op 4 oktober, en eindigend op 18 oktober; op zondagen werd er niet gespeeld. In ruil voor de vergunning betaalde het toneelgezelschap honderd gulden, bestemd voor de armen van De Rijp. Bovendien mochten de bestuurders van het dorp en hun gezinnen gratis naar een van de voorstellingen.

Maar toen de toneelspelers hun tent hadden opgezet en het dorp in afwachting was van de eerste komedie, verscheen er een gerechtsbode in De Rijp. Hij verbood het toneelgezelschap op te treden en gaf opdracht de tent weer af te breken – ‘hoe eerder hoe beeter’. De bode was gestuurd door Jacob Coren van der Mieden, die als baljuw van de Nieuwburg verantwoordelijk was voor de openbare orde in de dorpen in de regio en als aanklager optrad bij de zogeheten Hoge Vierschaar, een rechtbank voor vooral zware misdaden en andere belangrijke zaken. Het dagelijks bestuur over De Rijp was in handen van de schepenen, die er ook rechtspraken in kleinere zaken. Toch vond de baljuw dat niet het dorpsbestuur maar alleen hij de bevoegdheid had om toneelvoorstellingen toe te staan. Daarom dagvaardde hij zowel het toneelgezelschap als de schepenen van De Rijp om op 15 oktober in het stadhuis van Alkmaar voor de Hoge Vierschaar te verschijnen. 

raadhuis en de kerk van De Rijp
Het raadhuis en de kerk van De Rijp in de achttiende eeuw. Bron: Noord-Hollands Archief.

Schadevergoeding 

De aanklacht van de baljuw luidde die dag dat de schepenen van De Rijp zonder zijn toestemming, en zelfs zonder hem op de hoogte te brengen, een vergunning hadden gegeven aan de ‘troup spelspeelders off comedianten, uijt diversse plaatsen aldaar te zamen gelopen’. Net als veel anderen in die tijd keurde de baljuw toneel af. Van de toneelspelers viel weinig goeds te verwachten voor het dorp, zei hij; ze zouden de gewone man alleen maar geld uit de zak kloppen. De baljuw eiste dat de schepenen gestraft zouden worden met een fikse boete. 

Tegelijkertijd daagden ook de toneelspelers Jan en Abraham van der Palts, die zich ‘meesters van de Neederduijtsche Schouwburgh’ noemden, de schepenen voor de rechtbank. De broers wezen erop dat ze een contract hadden met de dorpsbestuurders, en dat ze honderd gulden hadden betaald voor het recht om in De Rijp op te treden. En ze hadden nog veel meer kosten gemaakt. Voorzien van een gedetailleerd overzicht van hun onkosten en de misgelopen winst eisten zij een schadevergoeding van de schepenen. In het overzicht stonden onder meer de honderd gulden voor de armen van De Rijp en tien gulden voor de huur van de standplaats van de tent. Ook rekenden zij 75 gulden voor het verplaatsen van hun theater van Monnickendam naar De Rijp en vervolgens voor het afbreken en afvoeren ervan naar Alkmaar. Daarnaast vroegen de broers vergoeding van hun eigen loon en dat van hun vrouwen en de dertien leden van hun gezelschap, die bij naam worden genoemd – onder hen in die tijd bekende toneelnamen. Het gezelschap had bovendien verwacht zo’n driehonderd gulden winst te maken. Alles bij elkaar eisten zij van het Rijper dorpsbestuur een schadevergoeding van 1055 gulden, plus de proceskosten – destijds een behoorlijk bedrag.

Lijst met de (misgelopen) gages
Lijst met de (misgelopen) gages van de verschillende toneelspelers, uit het kostenoverzicht dat het gezelschap indiende bij de eis tot schadevergoeding. Bron: Regionaal Archief Alkmaar

Komedies en koorddansers

De schepenen van De Rijp stelden in hun verweer dat zij al sinds mensenheugenis het recht hadden om zelf vergunningen te verlenen voor ‘het maken van kermis-vertoningen, comedien, coordedansers en andere’. Om dat te onderbouwen voerden zij tijdens het proces dat volgde een grote hoeveelheid bewijsstukken aan. Zo bleek uit een boek met besluiten van de schepenen dat in 1726 een toneelgezelschap 29 voorstellingen in De Rijp had mogen geven, terwijl in 1729 een koorddanser toestemming had gekregen veertien dagen lang ‘met zijn volk te mogen danzen en speelen’. De schepenen presenteerden bovendien brieven van dorpsbestuurders uit de wijde omtrek – uit Jisp en Wormer bijvoorbeeld en uit Uitgeest en Krommenie – die verklaarden dat zij zelf het recht hadden voorstellingen toe te staan of te weigeren. Ze voegden zelfs een paar pamfletten voor voorstellingen in Zaandam toe aan het dossier.

De rechtszaken sleepten zich jarenlang voort. Op 15 februari 1737 deden de rechters van de Hoge Vierschaar ten slotte uitspraak in het voordeel van de baljuw, vanwege een formele kwestie: de schepenen van De Rijp zouden hun bewijsstukken niet op tijd bij de Vierschaar hebben ingediend en dat leidde automatisch tot een verstekvonnis. De dorpsbestuurders hadden hun stukken weliswaar al bijna een jaar eerder overhandigd aan de baljuw, maar dat telde niet als het officieel indienen ervan bij de rechtbank.

archiefstukken
(links) Pamflet voor een optreden van een groep ‘lindspringers’ (waarschijnlijk koorddansers) in Zaandam in 1735, ‘met permissie’ van de bestuurders, uit het dossier van het proces tussen de baljuw en de schepenen van De Rijp. (rechts) Het begin van de beslissing (dictum) uit de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak tussen de bestuurders van De Rijp en baljuw Jacob Coren van der Mieden. Bron: Regionaal Archief Alkmaar

Geen jota bewijs 

De schepenen van De Rijp gingen tegen het vonnis in beroep bij het Hof van Holland in Den Haag, het hoogste rechtscollege van het gewest. De vraag wie er nou precies de bevoegdheid had ‘commedianten en andere spel speelders’ toestemming te geven ‘te mogen speelen, en hare konsten of vertoningen te mogen doen’ werd vervolgens voorgelegd aan de Hoge Raad. De baljuw betoogde daarbij opnieuw dat het opvoeren van komedies ‘een ergelijke daat’ was en verweet de schepenen dat zij hun boekje te buiten waren gegaan door ‘een ruwe hoop van vreemde gasten’ naar het dorp te halen om daar op te treden. Maar de leden van de Hoge Raad kwamen tot de conclusie dat er ‘geen jota bewijs’ was dat de baljuw de bevoegdheid had om toneelvoorstellingen toe te staan of te weigeren. Hun uitspraak van 24 mei 1738 bevestigde dat de schepenen van De Rijp het recht hadden toneelspelers in hun dorp te laten optreden. De baljuw moest stoppen met alle ‘turbatie, hinder en empechement’. Bovendien moest hij de proceskosten én een schadevergoeding betalen.  

Het duurde vervolgens nog tot september 1740 voordat de baljuw met de bestuurders van De Rijp overeenkwam dat hij hun drieduizend gulden zou betalen, inclusief de proceskosten. Hij zou bovendien de zaak die de toneelspelers hadden aangespannen verder voor eigen rekening afwikkelen. De twee leiders van de toneelspelers waren toen intussen wel overleden.

Door Mariëlle Hageman
Regionaal Archief Alkmaar
30 juni 2026

dikke dossier van de zaak
Het dikke dossier van de zaak tussen de baljuw en de schepenen van De Rijp in het depot van het Regionaal Archief. Foto: Regionaal Archief Alkmaar

test