Door het toenemende gebruik van AI groeit de angst dat sommige beroepen verloren dreigen te gaan. Het zou niet de eerste keer zijn dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën en veranderingen binnen de samenleving, impact hebben op de arbeidsmarkt. In het archief worden verschillende beelden en documenten van beroepen bewaard, die inmiddels verdwenen zijn.
Werken op het strand
Tot aan de Tweede Wereldoorlog was schelpenvissen een populaire (extra) inkomstenbron voor de inwoners van kustplaatsen zoals Egmond en Castricum. Als schulper ofwel schelpenvisser moest je echter wel beschikken over spierballen, aangezien het werk behoorlijk zwaar was. De schulper schepte de schelpen eerst uit het water met behulp van een schepnet en plaatste deze vervolgens in een kar. Wanneer de kar gevuld was, moest deze door de duinen vervoerd worden naar een verzamelplaats die het Stet werd genoemd. De schulpers hadden allemaal een eigen plaats binnen het Stet om de schelpen neer te leggen. In feite had iedereen zijn eigen persoonlijke schulpstet. De locatie van het Stet was altijd aan het water gelegen, zodat de schelpen via het water naar de kalkovens vervoerd konden worden.
In de kalkovens van Alkmaar, De Rijp, Uitgeest en later Akersloot werden de schelpen verwerkt tot schelpkalk. Deze schelpkalk werd vervolgens omgezet in metselkalk, dat al sinds de middeleeuwen werd gebruikt in de bouw van stenen gebouwen. Schelpkalk bleek uitermate geschikt voor de bouw in Nederland aangezien het materiaal onder water verhardt. In de loop der tijd nam het gebruik van schelpkalk af. De kwaliteit van het materiaal bleek steeds vaker inconsistent door het brandproces in de kalkovens. Buitenlandse steenkalk werd hierdoor steeds vaker toegepast in Nederland. De populariteit van schelpkalk nam nog verder af door de toenemende vraag naar cement in de twintigste eeuw. Tegenwoordig is er enkel nog vraag naar schelpkalk bij de restauratie van oude gebouwen. De stijgende loonkosten, de verminderde vangst en de opkomst van grote schelpenzuigers zorgden ervoor dat schelpenvissers met hun schelpenvangst geen boterham meer konden verdienen. Het beroep hield op te bestaan.
Verkopers op bezoek
Deur-aan-deurverkoop was tot halverwege de vorige eeuw heel normaal. De verkopers werden ook wel venters genoemd. Zij kwamen meerdere keren per week langs de deur met verschillende producten. Een voorbeeld van een verkoper die in het huidige straatbeeld niet meer voorkomt, is de petroleumventer. Deze verkoper trok eropuit met een handkar of hondenkar gevuld met blikken petroleum. Er waren ook petroleumventers die één of meerdere kannen gevuld met petroleum op hun kar hadden staan. De Alkmaarse venter op onderstaande foto maakte gebruik van petroleumkannen om flessen van klanten bij te vullen.
Voordat aardgas zijn intrede deed, werd petroleum gebruikt binnen het huishouden. De kamer werd verwarmd met petroleumlampen en een petroleumkachel en het koken gebeurde op een petroleumstel. Met drie flessen petroleum per week had een groot gezin genoeg warm water om af te wassen, te koken en zich te wassen. De drie flessen konden eenvoudig gevuld of gekocht worden bij de petroleumventer die aan de deur kwam. Ook na de Tweede Wereldoorlog waren petroleumventers nog actief, maar door de komst van aardgas nam het gebruik van petroleum snel af.
Naast de petroleumventer kwam ook de lompenventer aan de deur. Tegenwoordig zijn tweedehandswinkels en vintage (web)winkels populair onder mensen die tweedehands kleding kopen. Tot aan het begin van de vorige eeuw werd tweedehands textiel opgekocht of verkocht door een lompenhandelaar/lompenventer, ofwel voddenboer. Het was bij sommige handelaren zelfs mogelijk om textiel te ruilen. De lompen of vodden werden verzameld in een handkar of hondenkar. Naast textiel verzamelde de lompenhandelaar ook papier en metaal.
Aan het einde van de dag bracht de lompenboer het materiaal naar de groothandel om te verkopen. Op basis van het gewicht van het verzamelde materiaal kreeg de lompenventer een vergoeding van de groothandelaar. Sommige lompenventers probeerden hier misbruik van te maken door het textiel nat te maken waardoor het gewicht toenam. Sommige handelaren deden dit zelfs door over het textiel heen te plassen. Als de medewerker van de groothandel dit opmerkte, kon de voddenboer zijn spullen weer meenemen en vertrekken. Door de groeiende rijkdom na de Tweede Wereldoorlog was het magere salaris van een voddenboer steeds minder aantrekkelijk. Vanaf dat moment verdween de voddenboer langzaam uit het Nederlandse straatbeeld.
Een hondenberoep
Ook voor onze trouwe viervoeters zijn in de twintigste eeuw de carrièremogelijkheden verminderd. In de voorgaande eeuwen werden honden veelal gebruikt als trekdier. Op schilderijen uit de zeventiende eeuw staan al honden afgebeeld die een kar voorttrekken. Het gebruik van hondenkarren nam vanaf 1800 steeds verder toe. Vooral handelaren en venters maakten hier gebruik van. Op onderstaande foto staan twee honden die door de kruidenier gebruikt werden om een kar te trekken. Honden waren goedkoper dan paarden, zowel bij de aankoop als in het onderhoud. Daarnaast waren de hondenkarren klein en wendbaar, waardoor ze goed te gebruiken waren in de smalle straten van steden.
Voor honden was het voorttrekken van de kar bepaald geen plezierige baan. Niet elke eigenaar zorgde even goed voor zijn hond. Zo waren de honden vaak uitgehongerd en hadden versleten gewrichten door het voorttrekken van de karren die soms honderden kilo’s konden wegen. Ook kon de staart van het dier tussen de spaken komen of waren de honden het doelwit van kwajongensstreken. In 1910 werd een trekhondenwet geïntroduceerd om het gebruik van trekhonden te reguleren. Dit was echter niet ter bescherming van de honden, maar eerder voor het reguleren van het verkeer. Pas in 1962 kwam er een verbod op de hondenkar en werd het verboden om beroepsmatig met honden te werken. Voor honden zijn de tijden dus in positieve zin veranderd. Zij kunnen genieten van een beter bestaan.
Door Jos van der Kreeft
Regionaal Archief Alkmaar