In december 1925 klinkt in de landelijke pers een ‘Noodkreet uit Egmond’. In een ingezonden brief roept de ‘derper’ L.A. Hartman op tot hulp aan de noodlijdende bevolking van het arme vissersdorp. De noodkreet wordt opgepikt door het tijdschrift Noord-Holland in Woord en Beeld, dat direct een journalist naar Egmond aan Zee stuurt.
Nederland heeft op dat moment te maken met een strenge winter, met veel sneeuw en lage temperaturen. In Egmond aan Zee komt dit extra hard aan bij de arme vissersbevolking, die onder slechte omstandigheden leeft. De journalist van het tijdschrift trekt naar het vissersdorp om met eigen ogen te zien wat er aan de hand was. Wat hij daar aantreft was niet erg positief: ‘In hokken van enkele vierkante meters moet een huisgezin van soms acht of meer personen wonen. Twee slaapgelegenheden moeten al deze huisgenooten gedurende den nacht herbergen. Geen wonder, dat in deze omgeving de tuberkelbacil hoogtij viert.’ Door de ogen van de journalist krijgen we anno 2026 een bijzonder inkijkje in het leven in Egmond aan Zee van honderd jaar geleden.
De armoede is volgens de journalist het gevolg van de lage lonen. Hij geeft daarvoor het voorbeeld van een visser, een vader van zes kinderen, die als matroos op een vissersboot aanmonstert. Hij is telkens veertien dagen van huis, waarna hij twee dagen aan wal is. Met een maand werk verdient hij 85 gulden. Daarnaast heeft hij recht op een kwart procent van de opbrengst van de reis. Bij een hele goede vangst kan die oplopen tot twaalfduizend gulden. De matroos krijgt daar dus dertig gulden van. Zo houdt hij in het gunstigste geval 115 gulden over. Voor die tijd geen slecht loon, maar hier gaan dan nog wel heel wat kosten vanaf. Zo moet hij zelf zijn levensonderhoud tijdens de reis betalen, plus de reiskosten Egmond-IJmuiden, wat hem per maand minimaal 25 gulden kost. Dan moet er nog belasting betaald worden, en de kosten voor het gezin thuis. Daar lopen de uitgaven ook door, en wachten leveranciers van levensmiddelen op hun centen.
Genadeslag
De zeeman moet ook zelf zijn uitrusting bekostigen, die niet goedkoop is. Hij draagt ‘baaien’ ondergoed, een dikke, ruwe en enigszins waterafstotende wollen stof. Een hemd kost minimaal 7,50 gulden. Zeelaarzen zijn ook onmisbaar (35 gulden), aangevuld met een ‘oliepak’ (regenkleding) dat ook een lieve duit kost. Het moet allemaal goed spul zijn, want de vissers werken vaak lange tijd achter elkaar en hebben geen tijd om tussendoor droge kleding aan te trekken. Door het zeewater slijt de kleding extra snel, en als de vissers dan slechte, niet waterdichte kleding zouden dragen, zou hun gezondheid daar flink onder lijden. Het resultaat is dat er niets overblijft van het zuurverdiende geld, en als in de winter de rest van het gezin ook warme kleding moet hebben, en er brandstof voor de kachel gekocht moet worden, beginnen de schulden zich op te stapelen: ‘De winter brengt hun de genadeslag.’

De schrijver van het artikel geeft aan dat ander werk geen optie is. Ze kunnen niets anders dan vissen: ‘Neen, zij zijn opgegroeid als kinderen der zee en zitten bovendien in een te groote schuldenlast om weg te trekken en de visscherij er aan te geven. En bovendien is er geen ander werk. Met den laatsten storm sloeg een vader van acht kinderen over boord en verdronk onder de oogen van zijn zoon. Hij laat zijn huisgezin in den bittersten nood achter. In Maart wordt het negende kind verwacht. De vrouw is hulpbehoevend en de zoon zou dolgraag aan wal blijven om voor zijn moeder te werken. Het gaat niet, dus drijft het noodlot hem weer naar zee, totdat ook zijn beurt komt om weggespoeld te worden.‘
Menschonteerend
Het lijkt een neerwaartse spiraal. De meeste kinderen lijden aan ondervoeding, moeder ploetert en zwoegt om er wat bij te verdienen, vader is op zee en per jaar slechts tachtig dagen thuis. En zelfs dan kan hij niet bijkomen van het zware werk aan boord, want elke keer als hij terugkeert van zee, ziet hij dat zijn vrouw en kinderen het nog slechter hebben, waarop hij met een extra bezwaard gemoed weer naar de zilte baren trekt.
Ellende alom, zoals de visser, die na ruim dertig jaar op zee geweest te zijn volledig op is: geestelijk versuft en lichamelijk een wrak. Werken kan hij niet meer, terwijl hij de zorg heeft voor zijn zoon, die nierpatiënt en bedlegerig is. Hij krijgt geen uitkering en leeft in bittere armoede. Of de vrouw, wier man op zee is en die in veertien dagen tijd slechts vijftien gulden van zijn loon heeft ontvangen. Daarvan moet ze vier kinderen onderhouden, en om bij te verdienen doet ze de was voor een ander. In haar huis is het schoon, maar alles is tot op de draad versleten. De bedden zijn in verregaande staat van verval, drie wrakke stoelen en een kreupele tafel zijn haar hele huisraad. Het ‘arme vrouwtje’ heeft bovendien niet lang daarvoor een operatie ondergaan en is door en door zwak, en omdat haar man werkt ontvangt ze geen ondersteuning.

Verderop woont een huisgezin waarvan vader op zee is en moeder dood. Een meisje van zestien jaar zorgt voor vier jonge kinderen. De schrijver van het artikel ziet overal ellende: ‘Is het niet menschonteerend, dat een vrouwtje van 86 jaar nog uit schoonmaken moet gaan en zware wasschen moet doen om haar schulden te betalen en het armzalige leven te rekken.’ En dat terwijl ze in die koude dagen geen brandstof, zelfs geen kachel heeft ‘om het oude lichaam te verwarmen’. Of het voorbeeld van een oude man van 68 jaar, die reeds 58 jaar op zee gezwalkt heeft en zijn laatste dagen zo graag aan wal door had willen brengen.
Het blijkt onmogelijk, hij heeft de zorg voor een zoon met verstandelijke beperking en komt daardoor niet in aanmerking voor een verblijf in de Prins Hendrikstichting. Omdat hij tweemaal, met gevaar voor eigen leven, bij het redden van schipbreukelingen heeft geholpen, had hij gehoopt dat hij van het ‘Dorus Rijkers-fonds’ ondersteuning zou krijgen. Maar ook dat lukte niet: ‘Met tranen in de oude oogen en de wanhoop in het hart moest het wel, moest hij weer naar zee om een paar centen te verdienen. Als er een beetje golf over spoelt gaat hij mee, want zijn ‘zeebeenen’ zijn zoo moe en zwak geworden, dat hij er niet stevig meer op staan kan.’ En als hij geluk heeft, en weer terugkeert, dan mag hij gaan bedelen.
Het is deze ellende, die Hartman ertoe heeft gedreven om zijn ingezonden brief te schrijven. Het tijdschrift ondersteunt zijn oproep, en geeft het advies om thuis te zoeken naar ‘afgedragen kleeren’, schoenen, dekens en vooral brandstof, want de winter duurt nog voort. Of er veel verzameld is, weten we niet, maar dankzij de bemoeienissen van Hartman krijgt de genoemde 68-jarige oude zeerob en redder van schipbreukelingen Gerrit Buis enkele maanden later alsnog een uitkering van het Nationaal Zeemansfonds.
Door Paul Post
Regionaal Archief Alkmaar
28-9-2026
Vanwege de slechte kwaliteit van de foto’s in het tijdschrift zijn deze bewerkt met AI. Details kunnen dus afwijken van de originele foto’s.