Truitje Toussaint hielp Alkmaars armste moeders

Boekje voor de armenbewaarschool

In haar berucht slordige handschrift krabbelde schrijfster A.L.G. Toussaint in 1850 een bijzonder manuscript vol dat nu bewaard wordt in het Regionaal Archief. Het was bestemd voor een ‘armen-bewaarschool te Alkmaar’, schreef ze erop.

Portret Truitje Toussaint  Huis aan de Bierkade

Truitje Toussaint, toen nog niet getrouwd met Johannes Bosboom, was de beroemdste inwoonster van Alkmaar. Vanwege haar geleerdheid en haar schrijftalent had de stad haar zelfs, als eerste vrouw, tot ereburger benoemd. Ze was ook erelid van de Alkmaarse afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, kortweg ‘het Nut’, die zich inzette voor het welzijn en de vorming van het volk. Begin 1848 was het Nut in Alkmaar in navolging van andere afdelingen plannen gaan maken voor zo’n ‘armenbewaarschool’, bestemd voor de peuters en kleuters van de allerarmsten in de stad. In de jaren daarvoor waren overal in het land bewaarscholen opgezet – Alkmaar telde er ook twee – maar die waren voor de armen onbetaalbaar. De veel goedkopere school van het Nut zou arme ouders gaan ontlasten en de ontwikkeling van de kinderen stimuleren, ook op moreel vlak. Want er zwierven te veel kleine kinderen op straat rond, vond het Nut.

Vier springtouwen

De armenbewaarschool moest een veilige plek worden voor kinderen tussen de twee en zes jaar oud, met een zorgzame hoofdonderwijzeres, die hen, zo stond in de bepalingen, ‘met alle mogelijke liefde, zachtheid en toegevendheid’ moest behandelen. De kinderen zouden er volop kunnen spelen: op het verlanglijstje van de speciale commissie voor de school, bewaard in het archief van het Nut, stonden behalve leerboekjes, leien en griffels ook een kegelspel, zes hoepels, vier springtouwen, vier dozen met speelgoed en zes poppen. Het geld voor de bewaarschool moest de commissie, op een kleine bijdrage van de stad na, wel zelf bij elkaar zien te krijgen.

De leden van de commissie vroegen Truitje Toussaint daarom hun plan te steunen met een ‘letterkundige bijdrage’, waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan de bewaarschool. De penningmeester van de commissie, Hendrik Jan van Vloten, was boekhandelaar en uitgever en zou de uitgave verzorgen. In februari 1848 beloofde Toussaint, die zelf oorspronkelijk opgeleid was tot ‘schoolhouderes’, iets voor de school te schrijven.

Een pagina uit het manuscript Moedervreugde en moederlijden  Klas bewaarschool 1905

175 gulden

De bewaarschool van het Nut ging in juli al open in een gebouw aan de Doelenstraat met daarachter een speelplaats die grensde aan het Doelenveld. Er stonden toen 27 kinderen ingeschreven. Begin 1850 zaten er al 160 kinderen op de bewaarschool. De school was een groot succes, rapporteerde de commissie – behalve op financieel vlak. Er was geld om de school nog één jaar open te houden. En Truitje Toussaint had intussen nog steeds niets geschreven. De commissie herinnerde haar nog maar eens aan haar belofte van twee jaar eerder. Toen ging ze aan de slag.

Uitgever Hendrik Jan van Vloten zat zelf al niet meer in de commissie toen hij op 4 november 1850 eindelijk kwam melden dat ‘de literarische bijdrage, door Mej. Toussaint der Bewaarschool beloofd, gereed is’. Van Vloten had het manuscript voor 175 gulden van Toussaint gekocht en stortte het bedrag namens haar in de kas van de bewaarschool. Ook de winst uit de verkoop zou naar de bewaarschool gaan. Met de 175 gulden kon de commissie een heel jaar de huur van het schoolgebouw betalen. Het boekje Moedervreugde en moederlijden: Fantasiën verscheen begin december.

Frangment uit de jaarrekening van het Nut  Bewaarschool in 1895

‘Vrouwlijk hart’

Voorin in het boekje stond een prent van een moeder met haar kind. Het was een bevoorrechte moeder, een moeder uit de christelijke middenstand, die zich helemaal aan het moederschap kon wijden, begon Truitje Toussaint haar betoog.

Vreugde is voor alle moeders hetzelfde, schrijft ze: allemaal willen ze hun kind gelukkig zien. Lijden, dat is gescheiden zijn van je kind. Moeders uit de hoogste klassen hebben te veel sociale verplichtingen om zelf voor hun kinderen te kunnen zorgen. Moeders uit de laagste klassen moeten hun kinderen achterlaten om een beetje geld te verdienen. Het zijn allebei ellendige situaties, of de moeder haar kind nou ‘verlaten moet om te dansen of om te werken’. Maar een bewaarschool kon ten minste de angst en de onrust van de moeders uit de arme klassen verlichten. Haal de kinderen weg uit wanorde, gebrek en ellende, spoort Toussaint haar ‘vriendinnen en lezeressen’ aan: ‘Rukt ze weg uit den pestwalm der kwade voorbeelden’, laat ze op school bekend raken met goede voorbeelden.

De vraag naar het boekje was al meteen zo groot dat uitgever Van Vloten er nauwelijks aan kon voldoen. Het kunsttijdschrift Astrea bejubelde het werk als het meest treffende en roerende dat de ‘begaafde Alkmaarsche Burgeresse’ ooit geschreven had: ‘Toussaint heeft hier haar vrouwlijk hart geheel blootgelegd.’ Toen de commissie van de armenbewaarschool in het voorjaar van 1851 de jaarrekening opmaakte, was er al honderd gulden uit de verkoop binnengekomen. In 1857 zou nog een tweede druk verschijnen, waarvan de opbrengst weer naar de bewaarschool van het Nut ging.

Prent Moedervreugde en Moederlijden, moeder met kind in armen  Advertentie in de Alkmaarsche Courant, advertentie voor Moedervreugde en moederlijden

Nooit moeder

Een paar maanden na het verschijnen van Moedervreugde en Moederlijden trouwde Truitje Toussaint met de schilder Johannes Bosboom. Het Alkmaarse stadsbestuur gaf een groot feest, compleet met vuurwerk, voor het beroemde stel, dat daarna in Den Haag ging wonen. Truitje Bosboom-Toussaint zou zelf nooit moeder worden. De bewaarschool van het Nut bleef tot 1869 bestaan en werd daarna een algemene bewaarschool.

Door Mariëlle Hageman

 

test