Over bier en vrouwen: de tappers-eed van Gerritje Damman

“Ik beloof en ik zweer dat ik geen dunne bieren, schijn-, kuit-, schraal- of andere bieren waarop geen impost geheven wordt, in mijn huis, schuur of pakhuis zal inslaan – en het zal nog minder gebeuren dat ik die bieren verkoop of gedogen dat dit gebeurt”, zwoer Gerritje Damman op 30 mei 1805 ten overstaan van de stad Alkmaar. Ofwel, Gerritje zou alleen bieren opslaan en verkopen waarop de stad Alkmaar belasting kon heffen. Verder beloofde ze niet te frauderen of laten frauderen met die belasting. Vanaf het moment dat Gerritje de eed aflegde, was ze officieel tapster in Alkmaar. En ze was lang niet de enige vrouw die actief was in de drankhandel.

De eed voor brouwers  Een bierkan  Loonlijst van de bier- en wijn werkers te Alkmaar
Gerritjes gezin

Gerritje en haar man, Klaas Avontuur, woonden aan de Bierkade (huidige nummer 4) in Alkmaar. Gerritje werkte dus als tapster, van Klaas weten we dat hij zeilmakersknecht én herbergier was. Het stel trouwde een kleine twee jaar voor Gerritje de eed aflegde. Op 25 september 1803 huwden ze voor de stad, en een paar dagen eerder (op 18 september) voor de Doopsgezinde kerk. Klaas was namelijk Doopsgezind en Gerritje was Gereformeerd – het was bij dit soort ‘gemengde huwelijken’ gebruikelijk om behalve een religieus huwelijk ook een stedelijk huwelijk te houden. De in Zaandijk geboren Klaas was weduwnaar toen hij met Gerritje trouwde. Hij had al een zoon (Cornelis) met zijn eerdere vrouw. Gerritje en Klaas kregen ook nog twee dochters, Trijntje in 1804 en Grietje in 1807. Beide meisjes overleden jong, ze werden nog geen tien jaar oud.

Trouwboek Alkmaar

Tappers en beschooiers

De eed die Gerritje aflegde was de ‘Eed voor de Biersteekers of Bierbeschooijers en tappers’. Bierstekers en bierbeschooiers waren (groot)handelaren in bier. Brouwerijen mochten niet direct verkopen aan klanten of horeca, daar waren tussenhandelaars voor. De bierbeschooiers en bierstekers verkochten bier aan taveernes/tapperijen, herbergen en binnenschippers die het verder distribueerden.

Tappers als Gerritje verkochten drank direct aan de klant. Dat gebeurde in allerlei vormen. Zo werkten de tappers dun bier, waar Gerritje volgens haar eed expliciet niet in mocht handelen, vaak op straat. Zij vulden een emmer of pul met bier van een laag alcoholpercentage bij de stadsbrouwerijen en verhandelden dat. Gerritje was tapster van hogere kwaliteit bier, dat ze in een tapperij schonk. Tapperijen konden allerlei formaten hebben: van een simpele kamer in het woonhuis van de tapper, tot een grote ruimte waar de drank uit een zogenaamd ‘drankorgel’ werd geschonken – een stellage van meerdere vaten waaruit het bier werd getapt. In een tapperij konden gasten drinken en soms een pijp of simpele maaltijd krijgen. Een herberg was iets luxer: daar kon je overnachten en een uitgebreidere maaltijd genieten. Hoe de zaak van Gerritje en Klaas eruitzag, weten we helaas niet.
In Hollandse steden en dorpen waren veel tappers actief. Bier was onderdeel van het dagelijks dieet, maar niet lang houdbaar. Zeker bieren met weinig alcohol verzuurden snel. Handelaren en huishoudens konden dus geen grote voorraden aanleggen. Wie bier nodig had, ging met een bierkan in de hand naar een bierhandelaar of –tapper en sloeg voor een paar dagen in. Zodoende waren er veel tappers nodig, die allemaal een klein verzorgingsgebiedje hadden. In Leiden bijvoorbeeld, was aan het begin van de achttiende eeuw één drankhandelaar actief op elke honderd inwoners.

herberg in 1788  Een vrolijk gezelschap

Overheidsbemoeienis

De belastingen die werden geheven op het brouwen, invoeren en verhandelen van drank vormden een belangrijke inkomstenbron voor Holland en de stadsbesturen. Het was daarom van groot belang om te controleren wie actief waren in de drankhandel, hoeveel zij verhandelden en wat ze verdienden. Alle Hollandse drankhandelaren en –schenkers hadden daarom een vergunning nodig en moesten lid worden van een gilde. Het afleggen van de eed, zoals Gerritje in 1805, was noodzakelijk om lid te kunnen worden.
Ook in Alkmaar werd de drankindustrie stevig gereguleerd. Naast de noodzaak om een vergunning te verkrijgen en de eed af te leggen, werden ook de lonen en bierprijzen door de overheden bepaald. Het ging zelfs zo ver dat het stadsbestuur aan het begin van de zeventiende eeuw het Veneetsche Eyland aanlegde en de bierstekers dwong om zich daar te huisvesten. De Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier had namelijk besloten dat bierstekers in de steden bij elkaar geconcentreerd moesten worden, zodat hun werkzaamheden beter gecontroleerd konden worden. In Alkmaar was de ‘verbanning’ naar het Veneetsche Eyland daarvoor de oplossing – waar de bierstekers overigens niet blij mee waren.

Vrouwen in de drankindustrie

Gerritje was een van de vele vrouwen die actief waren in de drankindustrie. Bierbrouwen gebeurde in de middeleeuwen aanvankelijk thuis, voor eigen gebruik. Overschotten werden verkocht. De vrouwen verzorgden het thuisbrouwproces. Toen de drankindustrie commercialiseerde in de loop van de middeleeuwen, gingen vrouwen daarin mee. In het vijftiende-eeuwse Alkmaar verdienden de begijnen bijvoorbeeld geld met bierbrouwen. En van een voorganger van Gerritje, Marijtge Jans, weten we dat ze in 1627 al “meerder als vijftich jaeren […] de neeringe van tappen deeden” – eerst in Oudkarspel en daarna in Alkmaar.
Vrouwen bleven actief in de brouwwereld, handel en verkoop. Dat kan te maken hebben met de rol die zij van oudsher hadden bij het brouwen. Een andere verklaring kan zijn dat de taken die nodig waren in de drankindustrie, in het verlengde lagen van de huishoudelijke taken die vrouwen uitvoerden. Bijvoorbeeld het uitschenken van dranken, verzorgen van gasten en eventueel bereiden van maaltijden.

akte uit 1530  Bierkade van Alkmaar  

De drankhandel was ook een bereikbaar werkgebied voor vrouwen omdat er geen specifieke opleiding voor nodig was. Het volgen van ambachtelijke opleidingen of academisch onderwijs was voor hen in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd vrijwel onmogelijk. Beroepen waarvoor een opleiding nodig was, bijvoorbeeld in de vorm van een leerperiode en meesterproef, waren voor vrouwen dus zeer ontoegankelijk. Voor het verhandelen en tappen van bier was geen opleiding nodig. Lid worden van het bierbeschooiers- en tappersgilde kon zonder meesterproef. Daarbij was er voor het starten van een drankhandel weinig startkapitaal nodig. Het opzetten van een herberg vraagt relatief grote investeringen, maar een kleine tapperij vereist enkel een ruimte in huis, stookmateriaal om die ruimte te verwarmen, wat huisraad en een krijtbord om op te schrijven wat er in de aanbieding was. En een voorraadje bier natuurlijk.
Zodoende waren er dus relatief veel vrouwen werkzaam in de drankhandel. Gerritje werkte waarschijnlijk samen met Klaas in het bedrijf. Echtparen baatten vaker samen een tapperij of herberg uit. Soms had een van de echtelieden daarnaast nog een andere baan om genoeg brood op te plank te krijgen; zeilmakersknecht bijvoorbeeld, zoals Klaas.
Gerritje overleed in 1810 op zesendertigjarige leeftijd. Niet lang na haar overlijden veranderde ook de drankhandel ingrijpend. De gilden werden in 1818 voorgoed opgeheven. En naarmate de industrialisatie vorderde, veranderde de manier van bierbrouwen en -handelen ingrijpend – net als de rol van vrouwen daarin.

Door Lisette Blokker

Bronnen


Verder lezen

  • Marjolein van Dekken, Brouwen, branden en bedienen. Werkende vrouwen in de Nederlandse dranknijverheid, 1500-1800 (Amsterdam: Aksant, 2010).
  • R.J. Yntema, ‘Allerhande bieren. Over biersoorten en hun distributie tussen de 14de en 19de eeuw’, in R.E. Kistemaker e.a. (red.) Bier! De geschiedenis van een volksdrank (Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 1994).
  • A. Hallema en J.A. Emmens, Het bier en zijn brouwers: de geschiedenis van onze oudste volksdrank (Amsterdam: De Bussy, 1968).
  • H. Koolwijk, Van verbannen bierstekers tot waterflats (Alkmaar, 1977).

test