Een stolp in de stad. Boeren aan de Molenbuurt

In de morgen van 14 november 1866 was er flinke paniek aan de Molenbuurt in Alkmaar. De boerderij van veehouder De Graaf stond in lichterlaaie, en door de flinke wind dreigde het vuur over te slaan naar het achtergelegen Gasthuis. Door broei in de hooischuur was de brand ontstaan, en de aanwezige brandweer had grote moeite om met de brandspuit het vuur in toom te houden. Het lukte ze maar net om de omliggende panden te beschermen. De boerderij en de schuur, ongeveer gelegen waar nu het straatje van de Molenbuurt naar het Canadaplein loopt, brandde helemaal af.

de stolp aan de Molenbuurt  Luchtfoto uit het midden van de jaren 20

Dat er een boerderij binnen de stadswallen lag was niet zo vreemd. Elke Nederlandse stad kende wel stadsboerderijen, maar inmiddels zijn ze grotendeels verdwenen. De landbouwgrond werd voor de groeiende bevolking volgebouwd. Wat overbleef was dus meestal niet meer dan een boerenbehuizing met hoogstens een stal of schuur en een kleine moestuin. De boer woonde nog wel in de stad, maar de weide- en akkergrond was buiten de stad gelegen. Het kwam ook regelmatig voor dat de landbouwgrond van een boer al van meet af aan al buiten de stad lag, terwijl het boerenbedrijf binnen de wallen stond. Ook Alkmaar kende deze ontwikkeling, er hebben meer boerderijen in de stad gestaan.

Aan de Molenbuurt stonden er zelfs meerdere. Nadat de boerderij was afgebrand, verrees op dezelfde plek zelfs een nieuwe boerenwoning, een mooie stolp. Het zou een van de bekendste stadsboerderijen van Alkmaar worden, wat vooral te danken is aan de schitterende foto die ervan bewaard is gebleven. Het is een van de weinige afbeeldingen van een echte Alkmaarse stadsboerderij.

Fragment van de kaart van Blaeu uit 1650.   Gezicht over de nog niet gedempte Geest

De boerderij was dus gelegen in westelijke deel van de stad. Toen men daar vlak voor het Spaans beleg in 1573 de verouderde stadsmuren afbrak en verving door iets verder naar het westen gelegen stadswallen, ontstond er tussen de oude stadsgracht (de Geest) en de nieuwe wallen, een nieuw stukje stad. Op de kaart van Blaeu uit 1650 is goed te zien hoe dit stukje in tegenstelling tot het oostelijk deel van de stad een landelijke aanleg kende, met losstaande huizen met hooibergen, stallen en schuren. Nog tot in de vorige eeuw had dit deel een landelijke uitstraling. Oude foto’s van dat gebied, rond de huidige Geest, Kanisstraat en Molenbuurt, laten dat mooi zien: de bebouwing van kleine huisjes in combinatie met de groene omgeving.

Nadat de stolp aan de Molenbuurt was herbouwd werd deze bewoond door verschillende generaties van dezelfde familie. Enkele jaren na de herbouw kocht Jan Jongert (1824-1902), afkomstig uit Oterleek, de boerderij. Zijn dochter Trijntje (1854-1910) nam met haar man Floris Stam (1852-1922) later het bedrijf over. Hun dochter, Duifje (1876-1921), trouwde met Jacobus Smit, een Amsterdamse timmerman. Hij begon in de stolp een ‘timmerfabriek’, een timmermanswerkplaats waarbij een elektromotor de zaag- en andere machines aandreef. De zaken gingen goed, en zijn timmerbedrijfje ontwikkelde zich tot een aannemersbedrijf, dat vele huizen in Alkmaar en omgeving heeft gebouwd. Ondanks zijn zakelijke succes, ging het privé minder goed met de familie. Smit en zijn vrouw kregen drie kinderen, maar de eerste stierf al na tien dagen en de tweede na anderhalf jaar. In 1921 overleed moeder Duifje Smit-Stam, slechts 44 jaar oud. Vader Smit verliet een paar jaar later Alkmaar en vestigde zich met zijn zoon Floris in Heemstede. Kort na de verhuizing overleed ook Floris, waardoor vader Jacobus Smit alleen overbleef. De moeilijke crisisjaren gingen ook aan Smit niet voorbij, hij ging failliet en al zijn bezittingen werden in 1930 geveild. De stolp werd toen gekocht door de gemeente, die grote plannen had voor het terrein daar.

boerderijen achter het gasthuis  Kadastraal kaartje

De stolp aan de Molenbuurt werd toen al enige jaren verhuurd aan de vrachtrijder Jacobus Laan. Hij woonde daar met zijn zoon en twee dochters, die we waarschijnlijk ook op de foto zien. Hij had naast een vervoersbedrijf een stalhouderij en zijn karren en koets kon hij op het erf kwijt. Het gezin Laan woonde daar nog tot 1934. De boerderij en de schuur waren op dat moment in slechte staat, en opknappen zou veel geld gaan kosten. Daarop besloot de gemeente de boerderij te slopen. Het laatste bericht over de stolp vinden we dan in de krant van 30 mei 1934. In een advertentie wordt naast ‘4000 beste blauwe Hollandse pannen, kozijnen, ramen, deuren en hout’, ook een ‘best vierkant van boerderij’ aangeboden.  En zo verdween dit vierkant, het ‘geraamte’ van een van de laatste stolpboerderijen, uit de stad.

Door Paul Post

test