Een vrouw in manskleren op het schavot

Het trieste eind van Marijtje van Hove

In Callantsoog, op een aprildag in 1767, sprak een waarzegster Neeltje Eelmers aan. De waarzegster, in het gezelschap van een zoon en een dochter, beweerde dat Neeltje ‘binnen enkele dagen een aanzienlijke schat zou bezitten’. Maar om die in haar bezit te krijgen, moest Neeltje de waarzegster wel eerst wat geld geven. De goedgelovige Neeltje trapte erin en overhandigde de waarzegster ‘twee drie-guldenstukken, twee enkele guldens en een roodbonte neusdoek’. De waarzegster had in de gaten dat Neeltje wel erg goedgelovig was en kwam de volgende dag weer terug met de boodschap dat er meer geld nodig was. De hebberige Neeltje gaf haar nog eens drie gulden en een gouden ring.

Uiteraard kon Neeltje fluiten naar haar geld, het drietal vertrok zonder dat er een schat verscheen. Wat Neeltje niet wist, was dat de zoon in het gezelschap een jonge vrouw was, die haar hele leven al in mannenkleren liep. Haar naam was Marijtje van Hove, ook wel bekend als Alemondus of Almonde Sjouwels. Marijtje was in 1746 of 1747 in Duitsland geboren, en na de dood van haar vader met haar moeder naar Nederland getrokken. Toen Marijtje een jaar of vier jaar was, overleed ook haar moeder. Dat gebeurde in Alkmaar, waar ze alleen met haar broer achterbleef. Haar broer gaf haar jongenskleren, en vanaf dat moment bleef zij als man gekleed door het leven gaan. Naar ze zelf zei omdat zij daar ‘groote zin in had, en die kleederen haer het beste aanstonden’. Ze overleefden door te bedelen en te stelen.

De Alkmaarse Breedstraat   Detail uit het schilderij ‘Het oordeel van Cambyses’
Later ontmoette Marijtje de eerdergenoemde waarzegster, die Aaltje van den Bergh heette. Aaltje, die met haar dochters deel uitmaakte van een groep rondreizende vagebonden, ontfermde zich over Marijtje. De bende trok al stelend en oplichtend door Holland en Zeeland. In dit soort groepen bevonden zich stoelenvlechters, ketellappers, scharensliepen en liedjeszangers. Maar het werk werd veelal gecombineerd met kwakzalverij, oplichting en diefstal.

Wat Marijtje allemaal had uitgespookt kunnen we uitgebreid nalezen in een verslag van de Alkmaarse rechtbank uit 1768, waar ze samen met twee bendegenoten terecht stond. In het eerste verhoor ontkende ze bijna alle misdaden die haar werden aangerekend, maar na het vijfde verhoor was dat wel veranderd. Naast het relatief onschuldige geval van oplichting in Callantsoog, had Marijtje ook deelgenomen aan meerdere inbraken en overvallen.
Van de groep vagebonden waarmee ze die misdaden had gepleegd, was een aantal inmiddels al elders gevangengezet, gebrandmerkt en een enkeling zelfs geradbraakt en opgehangen. De overvallen gingen dan ook vaak met geweld gepaard. De bewoners van afgelegen boerderijen werden meestal vastgebonden, waarna het gehele huis werd doorzocht en ontdaan van alle kostbaarheden, tot levensmiddelen en kleding aan toe.

Het Alkmaarse galgenveld   galgenveld Amsterdam

Lange tijd bleef Marijtje ongestraft, maar toen een van haar bendegenoten, de beruchte Nathan Moses, in het voorjaar van 1768 in Alkmaar werd opgepakt, wist de schout van Alkmaar ook haar snel te vinden, evenals mededader ‘Klein Keesje’ Labans. De belangrijkste misdaad die Marijtje en de twee medegevangenen ten laste werd gelegd, was een overval die ze in 1766 op de pastoor van een schuilkerkje in Spanbroek hadden gepleegd. De pastoor en zijn meid werden vastgebonden, en huis en kerkje werden zorgvuldig doorzocht en ontdaan van alle kostbaarheden. Niet alleen het linnengoed en de zilveren schoengespen van de pastoor gingen mee, maar ook alle kostbare kerkbenodigheden, van vergulde kelk tot zilveren onderdelen van het kruis. Dat een pastoor en kerk werden beroofd en de slachtoffers vastgebonden werden achtergelaten, leidde tot landelijke aandacht in de pers. Ook toen twee jaar later de daders werden berecht, was er grote aandacht. Nog op de dag van de terechtstelling verscheen er een boekje bij de Alkmaarse uitgever Jacob Maagh, waarin de volledige tekst van de uitspraak van de rechtbank te lezen was.

verslag verhoren van de drie daders  krantenbericht over terechtstelling  bericht over terechtstelling

Daarin lezen we, dat Marijtje ‘heeft begaan een verregaande goddeloosheid, en dat zij is een fameuze vagebonde, een bedriegster en huisbreekster, een dievegge, een die troepsgewijze met meer dan zes personen sterk bij het land is omzwervende geweest, die zich in bossen heeft verscholen en in tenten gehuisvest’ tot ‘schrik en angst der medemensen’.

boekje met verslagen

De straf voor de op dat moment pas 21-jarige Marijtje en haar twee mededaders was niet mis. Voor alle drie de doodstraf, uit te voeren met ‘de koorde’. Voor mannen betekende dat meestal dat ze opgehangen werden, terwijl vrouwen aan de worgpaal belandden. In de Breedstraat, aan de achterkant van het stadhuis, werd een schavot geplaatst. Op 7 mei 1768 werden de drie vagebonden ter dood gebracht. Hun lichamen werden niet begraven, maar op het Alkmaarse galgenveld, een eindje buiten de stad, als afschrikwekkend voorbeeld aan de galg gehangen en ‘overgelaeten tot een Prooije voor de Vogele, des Hemels ende injurien van de Lugt’.

Door Paul Post

test